Dit alles om uw ziel te redden

Ter gelegenheid van het 500ste sterfjaar van de mysterieuze schilder verscheen een boekenberg waarop de liefhebber zich kan uitleven. Luchtige verhalen bij, maar ook verhelderende studies.

Detail uit De tuin der lusten, Prado Museum, Madrid Foto UIT: Cees Nootebooms boek‘Een duister voorgevoel’

Wat zou Jeroen Bosch zich geamuseerd hebben! Niet alleen om die drukbezochte tentoonstelling in Den Bosch, maar ook om het boekenbergje dat samenvalt met de herdenking van zijn 500ste sterfjaar. Er zijn gedichten op zijn werk geënt, verhalen geschreven, eigentijdse beeldende kunstvisies gebundeld, en enkele kunsthistorische boeken verschenen.

De gedichten over fragmenten van ‘beelddichter’ Bosch zijn nogal klassiek getoonzet. En de verhalen van eigentijdse schrijvers over ‘lust’ kunnen niet op tegen de ‘vleselijke verrukkingen’ op het triptiek Tuin der lusten. Geen idee wat er zo sexy is aan het laten zetten van een tatoeage (Manon Uphoff) of aan een geliefde die je haar knipt (Thomas Heerma van Voss). Dan liever Ilja Leonard Pfeijffer. Die komt met een extatische avond op een Italiaans plein wél in de buurt: ‘Borsten broos als eierschalen sprongen als speelse puppy’s op en neer in vertederende tuniekjes’, wat niet wil zeggen dat deze bundel verder ongelezen moet blijven.

Aardig wat publicitaire aandacht is al uitgegaan naar de Bosch-pelgrimages van Cees Nooteboom voor een documentaire-opdracht van het Prado Museum. Het bijproduct is een fijn geïllustreerd boekje met herinneringen aan eerdere Prado-bezoeken, mijmeringen over tijd en god, detailbeschrijvingen en onbeantwoorde vragen over de ‘wonderwezens’ en ‘apocalyptische raadsels’, die van Lissabon tot Gent aan hem voorbijtrekken.

Waarom Filips II zo van Bosch hield? Nooteboom vond een interessant citaat. De Spaanse vorst was ‘vergiftigd door de formules van het politieke denken die altijd een monsterlijk en kunstmatig gedrocht teweegbrengen dat ten slotte dodelijk is voor de ziel’, aldus de Spaanse schrijver Gregorio Maranón (1887-1960). Vandaar dat deze Spaanse schrijver Bosch beschuldigt van ‘onbeschaamdheden verkleed als kunst, ter verstrooiing voor hoge heren’. Dan lees je liever de 16de-eeuwse pater De Sigüenza: ‘Als hier absurde dingen te zien zijn, dan zijn het onze absurditeiten, niet die van hem.’

Net zo royaal geïllustreerd als Nootebooms boekje is JHERO, over de ‘Bosch-inspiratie die met name beeldende kunstenaars van nu aan hem ontlenen. Een interessant idee, maar het resultaat is met dank aan de vormgever mislukt. Die gebruikte een minuscuul lettertje dat verdwijnt tegen een vaak felroze ondergrond. Met een loep in de hand kom je bioloog en primatoloog Frans de Waal tegen. Hij mist bonobo’s op De tuin der Lusten. En kunstenaar Jan Fabre wil graag tijdreizen naar de meester – ja, wie niet?

Concentratie

Tot nu toe kon u ontspannen voortbladeren door luchtige verhalen. Daar steken de Duitse kunsthistoricus Nils Büttner en oud-journalist Henk Boom een stokje voor. Hun studies, de zoveelste mijlpalen in het officieus Jeroen Bosch ‘research project’, vergen geduld en concentratie.

Elk detail van 24 overgebleven schilderwerken mag dan infraroodreflectografisch en anderszins zijn afgegraasd, wat we missen zijn notities van de schilder zelf. De vondst van zo’n boekje zou de recente ontdekking van die Heilige Antonius in Kansas City, doen verbleken. Nu moeten we het doen met vijf biografische regels: Telg uit een schildersgeslacht, Latijnse school, getrouwd met de rijke Aleid, woonachtig en werkzaam op 650 vierkante meters aan de Markt in Den Bosch en kinderloos gestorven.

Toch weet Büttner in de annalen van de Illustre Lieve Vrouwe Broederschap in Den Bosch, een voornaam en religieus old boys network, nog aardig wat over ‘den duvelmakere’ op te duiken: over diens religieuze kennis, over de gemeenschappelijke etentjes (gebraden zwaan) en over de opdrachten die hij van deze club kreeg.

Büttner stelt vast dat laatmiddeleeuwse toeschouwers panelen met ‘hels gebroed’ meteen konden thuisbrengen, want aan lijfstraffen geen gebrek in die tijd. In Bosch’ woekerende planten herkenden zij wulpse driften en verlokkingen. De vele uiltjes waarschuwden hen voor geestelijke blindheid en luiheid. En die vele zelfverzonnen diersoorten mogen dan verwijzen naar Gods onbegrensde scheppingskracht, maar geven ook een vooruitblik op wat nieuwe ontdekkingsreizen nog aan maffe wezens te land, ter zee en in de lucht konden opleveren.

Bosch wilde bovenal de fantasie van de toeschouwer verleiden; zijn kunst moest diens ziel redden, schrijft Büttner. ‘Alle pogingen om de schilderijen als bewijzen van ketterse opvattingen van de schilder uit te leggen, zijn gedoemd te mislukken, maar wie het leuk vindt om naar astrologische of alchemistische toespelingen te speuren zal ongetwijfeld van alles vinden.’ Onvermijdelijk komen bij Büttner, net als bij Henk Boom, halffabrikaten en vervalsingen aan bod. Bosch werkte nat in nat, muntte uit in een unieke harmonie tussen rood- en groentinten en beschikte over een vlotte schetshand. Maar ja, zijn leerlingen en familieleden konden er ook wat van! Latere vervalsers haalden hun werkjes trouwens graag even door de rook van een haardvuur, om ze ouder te doen lijken.

Boom, oud-correspondent in Spanje, dook nog dieper in de (kunst)historische diepzee dan Büttner – op zoek naar al die Bosch-deskundigen die elkaar al zo lang met eigen interpretaties om de oren slaan. Dankzij zijn Spaanse achtergrond kan Boom ook lieden als de zwavelzuur-schrijver Francisco de Quevedo opvoeren. Diens Dromen (1627), vol haatmonologen, verscheen hier in 1992 in vertaling. Ongenadig hekelde hij de kerk en verkende de kelders van de hel. Weerzinwekkend, vonden zijn vijanden, en het was allemaal de schuld van die atheïst Bosch.

Henk Boom lijkt niets te zijn ontgaan. Hij biedt vooral voer voor kunsthistorici, die complete congresdebatten over symboliek en metaforen kunnen teruglezen. We komen de schilder in het boek tegen als alchemist, rozenkruiser, vastenprediker, magiër, surrealist avant la lettre, psychiatrisch patiënt, lid van een geheime sekte van naaktlopers.

Metaforen

Filips II was daarentegen ééndimensionaal. Hij wilde een tweede Tempel van Salomon, het Escorial, vijftig kilometer buiten Madrid. Hij moest en zou Rudolf II en Cosimo I de Medici in verzameldrift overtreffen. Dat lukte aardig, met 1.150 schilderijen, waaronder circa 30 van Bosch, en 1.000 tapijten. En als er ergens een reliek opdook was de koning er ook als de kippen bij. Hij bezat er 7422, waaronder 12 geraamtes, 144 schedels en vele botten van martelaren. Aan het eind van zijn leven is hij op een draagstoel vanuit Madrid naar het Escorial gebracht – vijf dagen lang, stapvoets, gezien zijn conditie. En toen was er onvermijdelijk die allerlaatste blik op zijn Tuin der Lusten en Het tafelblad met de zeven hoofdzonden.

Mochten de studies van Büttner en Boom te diep graven of mocht een bezoek aan de tentoonstelling niet lukken, grijp dan naar het schitterende boek van kunsthistoricus Gary Schwartz. Overzichtelijke hoofdstukken, ook over interessante thema’s in de marge van Bosch, en vele gave afbeeldingen brengen je in dezelfde flow waarin de schilder zijn tomeloze fantasie botvierde. ‘Kijk maar, je ziet niet wat je ziet’, schreef Nooteboom al. En dat geldt bij uitstek voor Schwartz’ boek. Het wachten is nu op de vondst van Bosch’ aantekeningen, die alle speculaties naar de prullenbak verwijzen.