De prijs voor het onbelangrijke boek gaat naar...? Robbers!

Heeft u weleens een belangrijk boek gezien? Dus geen mooi, spannend, opwindend, oud, ingewikkeld, ontroerend, verwarrend, helder, troebel boek of een boek van Heleen van Royen, maar een belangrijk boek? Zo niet, dan heeft u nog een week, want dan begint de verkiezing van het Belangrijkste Boek van Nederland – het is een van de festiviteiten van het Jaar van het Boek. Voorspelling: dat wordt Het Achterhuis, op de voet gevolgd door Max Havelaar en het Belangrijkste Boek van uitgeverij De Geus – ik zou niet weten welk dat is, maar zij zijn nu eenmaal Nederlands kampioen boekenwedstrijden winnen. (Let ook op De gelukkige huisvrouw). Het liefst zou ik een campagne beginnen voor Afke’s tiental of voor Prometheus van Carry van Bruggen, maar ik kan geen Belangrijk Boek zeggen zonder te giechelen.

Belangrijk is een typische recensententerm, bedoeld om, als de argumenten op zijn, toch nog iets dwingends over een boek te zeggen. Dat haalt bijna nooit iets uit, maar er zijn uitzonderingen. Twintig jaar geleden las ik een column van Kees Fens over een nummer van Tirade, waar hij twee regels van Gerrit Kouwenaar uit had geplukt:

Men moet zijn zomers nog tellen, zijn vonnis

nog vellen, men moet zijn winter nog sneeuwen

Fens schreef: ‘Deze regels van Kouwenaar zouden wel eens dat groeiproces naar zelfstandigheid kunnen gaan doormaken.’ Hij kreeg gelijk, of zijn gelijk vloeide automatisch voort uit zijn reputatie: binnen de kortste keren werd Kouwenaars gedicht ‘men moet’ klassiek – om nog zo’n hol woord van stal te halen. Het woord ‘belangrijk’ gebruikte Fens denk ik niet vaak: hij propageerde rond dezelfde tijd een verdediging van de alfawetenschap onder de noemer van een ‘Ministerie van Nutteloze zaken’.

Laten we besluiten dat de Belangrijkste Boekverkiezing de laatste boekverkiezing is, zodat we ons als erfgenamen van Fens’ Ministerie van Nutteloze Zaken kunnen richten op het Onbelangrijke Boek. Lees even mee: ‘De staking was begonnen, plotseling, onverwacht en ontstellend [...] Gepraat was er waarlijk genoeg, vergaderd en onderhandeld. Maar van beide kanten zonder veel geestkracht, slapsloffig en laks, met een wijdloopige briefwisseling, telkens herhalend in lijzigen stijl precies dezelfde verzoeken, denzelfden aandrang en eischen, afwijzingen en beloften voor later.’ Zo luidt het begin van De gelukkige familie van Herman Robbers, een roman uit 1909 die zo onbelangrijk is dat hij al honderd jaar niet meer in druk is verschenen. Nu wel, bij de uitgeverij Auteursdomein. Couperus vond Robbers (die hem ooit bekritiseerde om wollig taalgebruik) een man die ‘geen genie’ had, Anton van Duinkerken vonniste zelfs ‘geen greintje genie’ – veel onbelangrijker krijg je het niet. Maar ja, bij ‘slapsloffig’ was ik al verkocht. Snel verder!