De leerkracht is geen meetinstrument

De Citotoets leidt tot eerlijkere beslissingen dan het oordeel van leerkrachten, menen Susan Niessen en Rob R. Meijer.

Dat het vervangen van de Citotoets door het oordeel van de leraar ongewenste effecten met zich meebrengt was onder testdeskundigen en psychometrici in Nederland geen nieuws. Ook ouders die zelf kinderen op de basisschool hebben zullen niet verbaasd zijn. Hogeropgeleide ouders zijn mondiger, kritischer, hebben meer mogelijkheden en zullen er veel aan doen om te zorgen dat hun kind naar een goede vervolgopleiding gaat. De invloed van deze ouders wint terrein als er geen gebruik wordt gemaakt van objectieve informatie, met een toename van ongelijkheid en onjuiste schooladviezen als resultaat.

Psychologische tests en onderwijskundige toetsen zijn ontwikkeld om een objectiever beeld te krijgen van wat een kind kan of verder in zijn mars heeft. De eerste psychologische tests zijn zelfs ooit ontwikkeld als emancipatie-instrument, om talentvolle leerlingen uit minder bedeelde milieus kansen te bieden en leerlingen met een achterstand extra ondersteuning te kunnen geven.

Wetenschappelijk onderzoek laat zien dat het gebruik van zulke tests tot betere en eerlijkere beslissingen leidt dan het oordeel van de leerkracht. De leerkracht is namelijk geen meetinstrument. Dat komt niet specifiek door de onkunde van leerkrachten. Het geldt ook voor psychiaters, rechters, en eigenlijk voor mensen in het algemeen. In de jaren 50 al is door Paul Meehl overtuigend aangetoond dat mensen vaak niet zo goed zijn in het wegen van informatie om tot een juiste beslissing te komen. Zelfs experts kunnen dat niet goed. Gelukkig zijn er goede tests beschikbaar die daarbij kunnen helpen. Met de Cito-toets worden óók verkeerde beslissingen gemaakt. En het blijft toch een momentopname. Dat is allebei waar, er worden alleen wel minder verkeerde beslissingen gemaakt. Het is daarom wel minstens zo belangrijk dat het onderwijssysteem flexibel genoeg is om verkeerde beslissingen te herstellen. Leerlingen die anders dan verwacht blijken te presteren moeten eenvoudig naar een hoger of lager niveau kunnen doorstromen. Bovendien speelt dit probleem niet alleen bij de overgang naar het voortgezet onderwijs. Ook in het hoger onderwijs wordt er lustig op los geselecteerd en gematcht zonder dat er evidentie is voor de gebruikte procedures.

Zo worden aankomende studenten in zeer ondoorzichtige procedures geselecteerd op basis van gesprekken en opdrachten die zaken moeten aantonen als motivatie voor de studie en of ze in staat zijn een slecht-nieuwsgesprek te voeren. Evidentie dat deze zaken studiesucces voorspellen is vaak flinterdun. Het probleem van de Nederlandse wetgeving is echter dat een onderwijsinstelling alleen maar hoeft aan te tonen dat er een bepaalde procedure wordt gevolgd, niet of deze procedure ook daadwerkelijk iets met studiesucces te maken heeft. Wordt het niet eens tijd om eerst met toetsdeskundigen te overleggen wanneer dit soort maatregelen worden genomen? De toegang tot het onderwijs is immers niet niks.

    • Susan Niessen
    • Rob R. Meijer