Bittere Ostalgie met humor

Jaroslav Rudiš Met veel humor laat deze Tsjechische schrijver in zijn sprankelende roman zien hoe de val van de Muur een einde maakte aan de idealen van een groep Tsjechische en Oost-Duitse punkers.

Punkers in Oost-Berlijn, 1988 Foto Volker Döring/ullstein/Getty Images

Het leven is een grote bouwput, zeker in het voormalige Oost-Duitsland na de val van de Muur. Ole, de anti-held uit Jaroslav Rudiš’ roman Het einde van de punk in Helsinki, ervaart het dagelijks als eigenaar van café Helsinki in Dresden. In 2010 wordt in die stad een ondergrondse snelweg aangelegd. En meteen kijkt daar het absurdisme om de hoek: de tunnel voor die snelweg kan alleen worden gebouwd als eerst de zee aan water, waarop de stad ‘ als een reuzeneiland drijft’, door een buizenstelsel wordt afgevoerd. Een hopeloze operatie, zeker voor wat café Helsinki betreft. Want in die omgeving stort door al het ondergrondse boren het ene na het andere gebouw in.

Ole’s beste vriend Frank, de bedenker van een tafelvoetbalspel met Hitler, Stalin, Gandhi, Churchill, Dracula, Luther, Jezus en Moeder Theresa als poppetjes, is al even verslagen door de nieuwe tijd. Samen ergeren de twee mannen zich aan de veganistische succesmoeders, die met hun dure buggy’s in Helsinki komen lunchen.

Ole is gescheiden van Connie, die hem heeft verlaten omdat ze niet langer tegen zijn ontrouw en lamlendigheid kon. Ook hun dochter wil niets meer met hem te maken hebben, al deelt ze zijn afkeer van het kapitalisme. Uit verzet steekt ze auto’s in brand en pleegt ze aanslagen op gebouwen.

Lena, Ole’s nieuwe vriendin, kan niets aan zijn cynisme veranderen, ook al beseft ze als geen ander hoe hij zo is geworden: ‘Met het kapitalisme zijn alle dromen voorbij. Het kapitalisme is puur een harde realiteit, puur prestatie en strijd.’

Van zulke verklaringen wil Ole niets weten. Daarentegen geeft hij de schuld van zijn mislukte leven aan vrouwen. Met hen, en dus met Lena, wil hij eigenlijk niets meer te maken hebben, ook omdat hij geen zin meer heeft om attent, gevoelig of begripvol te zijn. Misère alom dus.

De Tsjech Rudiš zet die wereld vol teleurstellingen echter met veel humor neer. Dat Ole en Frank ondanks hun sombere aard vermakelijke personages zijn, komt doordat ze vóór de val van de Muur een heel ander bestaan hebben geleid. Toen waren ze wilde punkers, die van meiden, zuipen, slikken en feesten hielden. Hoofdstukken over die tijd, waarin ze met hun tweemanspunkband Automat op toernee gingen totdat bleek dat hun impresario een Stasi-informant was en hun laatste concert in de Finse hoofdstad Helsinki moest worden afgezegd, worden afgewisseld door passages over hun latere leven. Het maakt de tegenstelling alleen maar schrijnender.

Honecker

Het borrelt in deze roman van de bittere Ostalgie, waaruit vooral teleurstelling over de Duitse hereniging sijpelt. Maar ook hier wint de humor. Zo vernoemde Ole’s vader in de DDR-jaren zijn auto, een Wartburg, naar communistenleider Honecker. Elk jaar haalde hij hem uit elkaar om hem daarna weer in elkaar te zetten. Na 1989 kocht hij een Golf, die Helmut (Kohl) heette en toen volgde een Opel Vectra met de bijnaam Gery (Schröder). Maar die nieuwe auto’s lieten zich niet zo makkelijk in elkaar zetten als de Wartburg. Bij de Opel ging het dan ook mis met Ole’s vader.

Mooi is ook de passage waarin Rudiš beschrijft hoe in Oost-Duitsland iedereen na 1989 een nieuwe, extra grote brievenbus nam. ‘Niet vanwege de post, maar vanwege de stortvloed van bonte reclameblaadjes uit het Westen waarmee het aanzien van hun verweerde huis, van hun verweerde leven werd opgefleurd. Pa en ma lagen er de hele avond in te zwelgen en verheugden zich op de nieuwe lading van de volgende dag waarin ze dan weer konden lezen. Quelle. Neckermann. Volkswagen. Deutsche Bank. Jehova’s getuigen. Nieuwe vloerkleden. Nieuwe ijskasten. Nieuwe tv’s.’

Radioactieve neerslag

Een andere vermakelijke lijn in de roman is het dagboek uit 1987 van de punkster Nancy, die in Tsjechië woont, een land waar niets gebeurt. Meestal is ze dronken of ligt ze te neuken met haar vriend, die zich Helmut noemt en in een Duits uniform Hitler loopt te imiteren. Hun uitzichtsloze bestaan wordt versterkt doordat hun stad is besmet met radioactieve neerslag van de in 1986 ontplofte kerncentrale van Tsjernobyl. Iedereen heeft er een vergroot strottehoofd, slikt jodiumpillen en gaat er vanuit dat het leven snel voorbij is. Maar ondanks dat doemdenken zegeviert ook hier de humor, vooral waar het om dronken ‘Ruskies’ gaat.

De verhaallijnen komen samen als Ole en Frank in 1987 naar Tsjechië gaan voor een concert van punkband Die Toten Hosen. Ole valt er in de armen van Nancy, wier indringende blik hij daarna nooit zal vergeten. Na afloop proberen de twee jongens naar het Westen te vluchten, maar ze worden gepakt en voor straf van school getrapt. Als represaille verliest Ole’s moeder haar baan als lerares op het gymnasium.

Rudiš weet de grauwe en monotone wereld van het Oostblok meesterlijk te verwoorden. Je kunt er cynisch van worden, maar dankzij zijn speelse fantasie en taalgrappen ook erg om lachen. Het verbaast je dan ook niet dat de roman een positief einde krijgt als Ole alsnog naar Helsinki reist. Op een vertederende manier is er dan sprake van een loutering die ieder cynisme doet verdampen.