Column

Voordringen

Alle ongetalenteerde gezinnen lijken op elkaar; ieder getalenteerd gezin is getalenteerd op zijn eigen wijze. De Reve’s kunnen schrijven, de Alberti’s kunnen zingen en ook mijn verwanten hebben een trucje. Als ik met mijn broer op stap ga en er een enorme rij voor de bar staat, verdwijnt hij opeens om me enkele tellen later een cola in de hand te drukken. Wanneer ik met mijn zus en haar kinderen in een overbevolkte Efteling ben, zijn zij binnen anderhalf uur al drie keer in iedere attractie geweest.

Van nature is het geraamte van muizen zo week dat ze zich door een gaatje ter grootte van een IKEA-potlood, kunnen wringen. Ook mijn familie heeft zachte botten, waardoor ze overal en nergens keihard kunnen voorkruipen. Hoe drukker het is, hoe vlugger ze zijn. Op Schiphol is mijn moeder eerder door de douane dan minister Koenders. Ik lijk wat dat betreft iets meer op mijn vader, die zich voorbeweegt alsof hij zijn lichaam vanochtend voor het eerst heeft aangetrokken en nog niet helemaal weet waar het stuur en vooral de rem zitten. En toch zijn er ook momenten geweest – in een hysterische mensenmassa, bij overvolle NS-bussen – dat ik niet precies weet wat er gebeurde, maar wel opeens vooraan stond. Deels tot mijn ongenoegen: ik houd niet van voordringen. Ik houd er niet van om ten koste van anderen een plek te hebben. Maar soms gebeurt het voor ik er erg in heb.

Toen ik gisteren met mijn zus naar de bioscoop ging, begon ik erover. Ze antwoordde dat we het van mijn grootmoeder hebben. „Het is overgeleverd in de vrouwelijke lijn”, vertelde ze blij. „Oma zei weleens dat ze daardoor het jappenkamp overleefde. Tijdens het verdelen van de lucratiefste corveebaantjes of het verstrekken van voedsel: ze was altijd op het juiste moment op de juiste plek. Het is een genetisch overlevingsmechanisme.”

„Whatever”, zei ik, „dat zijn je longen ook. Met voordringen ga je er automatisch mee akkoord dat je anderen benadeelt.” Mijn zus wuifde het weg.

„De een kan goed praten, de ander zich goed verplaatsen. Met de riemen die je hebt moet je gewoon roeien. Dat heeft oma toch weleens tegen je gezegd?”

Ze weet best dat mijn grootmoeder me daar nooit over heeft verteld. Mijn oma zei alleen tegen me dat ik was aangekomen. Met mijn zus had ze hele gesprekken. Mijn zus kon toen al beter voordringen dan ik. En ze kan beter accepteren dan ik dat de wereld oneerlijk is. Kijk, daar liep ze al ver voor me uit, de zaal in, terwijl ik achterbleef, en tientallen mensen voor liet gaan, en tegen iedereen die voorkroop zei dat het me speet, dat mijn familie een gave had.