Nederlandse onderzoeksuitgaven dalen steeds verder

Nederland geeft een derde minder aan onderzoek uit dan wat de EU nodig vindt. En het wordt nog minder.

Een werknemer in de stofvrije ruimte, de zogenaamde cleanroom, waar de chips worden gemaakt van chipmachinefabrikant ASML. Foto: Lex van Lieshout/ANP

De investeringen van de Nederlandse rijksoverheid in onderzoek en ontwikkeling (r&d) blijven achter bij de groei van de economie. Die investeringen dreigen de komende jaren af te nemen en op het laagste niveau in de afgelopen twintig jaar uit te komen.

Dat schrijft het Rathenau Instituut in het rapport ‘Feiten en cijfers; totale investeringen in wetenschap en innovatie 2014-2020’. Het instituut brengt jaarlijks een overzicht uit van de verwachte investeringen in r&d, gebaseerd op de begrotingen van de ministeries.

Vorig jaar gaven de ministeries 6,3 miljard euro uit aan r&d voor het hoger onderwijs, kennisinstituten en bedrijfsleven. Dat was ruim 300 miljoen euro méér dan in 2014. Maar tot 2020 zal dat bedrag weer afnemen tot net onder de 6 miljard euro. Vooral technologische instituten als TNO, KNMI, NFI en Deltares blijken over de periode 2010-2020 fors in te leveren. Het hoger onderwijs – hbo’s en universiteiten – gaat er op vooruit. De totale rijksuitgaven dalen, gemeten als percentage van het bruto binnenlands product (bbp), van 0,93 procent in 2015 naar 0,79 procent in 2020.

3 procent bbp

De Europese Unie heeft als doelstelling voor 2020 dat lidstaten 3 procent van hun bbp uitgeven aan r&d. Investeringen in r&d worden gezien als een belangrijke motor voor economische groei. Die 3-procentsnorm omvat publieke én private uitgaven bij elkaar opgeteld. Nederland heeft dat percentage al naar beneden bijgesteld, naar 2,5 procent. Maar ook dat zal waarschijnlijk niet gehaald worden. Nederland zit nu net onder de 2 procent.

Wil Nederland zijn eigen doelstelling van 2,5 procent halen, dan moet er volgens het Rathenau-rapport de komende vier jaar 4 miljard euro extra aan publiek en/of privaat r&d-geld bijkomen. De auteurs concluderen dat „er nog een aanmerkelijk gat ligt tussen ambitie en realiteit”.

Kanttekening is dat bij de publieke uitgaven aan r&d een aantal posten nog niet worden meegeteld. Bijvoorbeeld de inkomsten die Nederland ontvangt uit Brusselse onderzoeksprogramma’s. Voor de komende jaren schat het Rathenau Instituut die op jaarlijks 700 tot 800 miljoen euro. Hetzelfde geldt voor inkomsten vanuit regionale overheden (gemeenten, provincies, ontwikkelingsmaatschappijen). Die bedragen naar schatting 250 miljoen euro per jaar.