Kunst, sport, leven... Waarom?!

Courtesy Juliètte Jongma

Heeft Guido van der Werve zijn illusies verloren? In zijn twee nieuwe werken, Nummer zestien, vorige week te zien in de Amsterdamse Oude Kerk en Nummer zeventien, nu bij Galerie Juliètte Jongma, is er ineens verdacht weinig over van de romantische, overambitieuze kunstenaar die we kenden uit Van der Werves vroegere werk. In die films wandelde hij onverschrokken voor een ijsbreker uit (Nummer acht), stond hij 24 uur stil in de ijzige poolkou (Nummer negen) of overbrugde hij in een triatlon van 1500 kilometer de afstand van het officiële graf van Frederic Chopin in Parijs naar de plek waar zijn hart in Warschau is ingemetseld (Nummer veertien).

Maar nu is het anders.

Neem Nummer zestien. Daarin zien we op drie schermen drie groepen mensen: links een groep naakte ouderen, die een uur lang vooral elementair leven: ze liggen, staan, eten een bord soep. Op het middenscherm zien we een groep dertigers tot vijftigers, in zwart gekleed, die een heel scala aan yoga-achtige oefeningen doen. Het rechterscherm toont een groep twintigers en dertigers, opnieuw naakt, die eerst wat doelloos lijken te liggen. Maar al snel worden ze intiemer, waarna ze zich in een orgie storten – Van der Werve zelf is trouwens nergens te bekennen. Het geheel maakt behoorlijk ongemakkelijk door de naakte lijven, de onverhulde seks, maar vooral door de afstand die Van der Werve houdt tot zijn acteurs. Persoonlijkheid wordt ze niet gegund, alle meer dan zestig acteurs lijken anonieme zetstukken in een groter plan van Van der Werve. Maar welk plan is dat?

Dat wordt wat duidelijker na het zien van Nummer zeventien. In deze installatie zien we gelukkig Van der Werve zelf weer, nu op twee schermen, in zijn eigen huis. Op het ene scherm maakt hij loopbewegingen in zijn eigen (volle) bad, op het andere laat hij zichzelf op bed vallen, staat weer op, valt weer neer enzovoort – en dat allemaal negen uur achter elkaar. Van der Werve wil zo de inspanning imiteren die het kost om de hoogste berg te beklimmen (8.848 meter) en het diepste punt van de oceaan te bereiken (11.040 meter) – op beide schermen loopt daarom een afstandsmeter mee. Maar het meest opvallend: Van der Werve ondergaat de inspanningen gelaten, bijna ongeïnteresseerd. Of hij niet anders kan.

Daar gaat het natuurlijk om. Van der Werve lijkt in zijn nieuwe films iets te willen zeggen over vrije wil, over ambitie, over drijfveren. Waarom kom je je bed uit? Waarom eet, beweeg en neuk je? En dat juist triatlonner-kunstenaar-bergbeklimmer Van der Werve deze vragen stelt, maakt ze schrijnend. Niet voor niets doet vooral Nummer zestien sterk denken aan 19de-eeuwse symbolistische kunst, waarin de persoonlijkheid van de afzonderlijke mens het ook vaak moet afleggen tegen zijn hogere, metaforische betekenis. Zoiets doet Van der Werve hier ook, en het feit dat hij bijna stil lijkt te staan, dat de handelingen in Nummer zeventien zo overduidelijk nutteloos zijn, maakt dat je het gevoel krijgt dat hij de bodem van zijn kunstenaarschap onderzoekt. Waarom te sporten? Waarom kunst maken? Waarom leven? Zelf geeft hij meteen antwoord: omdat ook de twijfel, het ongemak, de worsteling de moeite waard zijn om te beleven. Kunst wordt zo zelf de uitweg, de eeuwige vlucht naar voren – en Van der Werve is een romanticus, nog steeds.