Het stille werk van Le Douanier

In Musée d’Orsay wordt het werk van ‘outsider’ Henri Rousseau getoond te midden van kunsthistorische meesters. Een magistrale expositie.

Henri Rousseau, Portret van Pierre Loti (1906) Foto’s ANP

Ach, had Henri Rousseau nog maar geleefd en dit grootse eerbetoon kunnen meemaken. Dat een overzichtstentoonstelling van zijn werk wordt omlijst door meesters als Carpaccio en Ingres, als nota bene voetnoten bij zíjn oeuvre. Die eer wordt hem bewezen door Musée d’Orsay, waar zijn portretje van schrijver Pierre Loti uit 1906 gezelschap krijgt van een onbekende man uit de late veertiende eeuw, toegeschreven aan Vittorio Carpaccio. Deze man is net als Loti geportretteerd voor een weids landschap met uiterst precies gepenseelde bomen en blaadjes. Twee keer een archaïsche wereld. Maar nog iets bindt hen, iets waar je de vinger niet op kunt leggen. Beide kunstenaars, door vier eeuwen gescheiden, wilden de wereld met open ogen bekijken en vangen. Het is die liefdevolle aandacht die je terugziet.

En wij kunnen dat nu met hen, in dit retrospectief van Le Douanier, de deftig klinkende bijnaam die Rousseau dankte aan een weinig deftig baantje bij de Parijse belastingen. Rousseau was een zonderlinge figuur, door kunsthistorici in een apart vakje gezet – zoek ‘naïeve schilderkunst’ op en je vindt Rousseau – omdat hij nergens bij zou horen. Niet bij de officiële klassieke leer met perfect geschilderde nimfen en soldaten, evenmin bij de avant-gardisten die met die ouwelijke leer braken en vanaf 1905 massaal vielen voor Rousseaus naïeve kunst. Maar er was een verschil. De meeste avant-gardisten waren academisch geschoold en beheersten de stijl waar ze mee braken. Rousseau had die keus niet: hij was een amateur. Dat academische vernuft was voor hem simpelweg te hoog gegrepen.

Het leven van belastingambtenaar Rousseau (1844-1910) verliep anders. Dag in, dag uit ging hij naar kantoor en zo rond zijn veertigste besloot hij om eens wat verf en kwasten te kopen. In 1886 was in Parijs een juryvrije tentoonstelling waaraan hij meedeed, benieuwd naar het oordeel van de kenners. Die rolden ongeveer over elkaar heen van het lachen.

Zelfbewust

En dat vinden wij natuurlijk prachtig, want wij weten inmiddels dat die wrede Parijse kunstkenners álle avant-gardisten uitlachten. En wie het laatst lacht, lacht het best. Rousseau kon dat nog niet weten, maar hield vol. In d’Orsay – dat al zijn topstukken bijeenbracht – zie je dat hij een kwart eeuw stug vasthield aan eenzelfde stijl. Zelfs zijn zelfportret uit 1890 oogt al zelfbewust, met schilderspalet poserend op een Parijse kade. Achter hem de moderne wereld: de nieuwe Eiffeltoren, een luchtballon. In dat midden staat hij zijn mannetje met een speld op zijn revers die iets wegheeft van een gehoopte eremedaille (komt hoor Henri, wacht maar).

De kunsthistorici hebben gelijk. Zijn stijl is zonderling. Wonderlijk. Uniek. Hij past niet in andere vakjes. Maar naïef? Bij leven dikte Rousseau dat imago zelf al aan. Het kwam hem van pas toen hij in 1907 werd gearresteerd (niet voor de eerste keer), op verdenking van bankfraude. Hij bracht zijn schilderijen mee in zijn verdediging. Maar edelachtbare, de maker van zulke onnozele kunst kan toch geen geslepen crimineel zijn? Over de zaak gaan verschillende verhalen, feit is dat hij snel weer op vrije voeten was. Wie is er hier nou werkelijk naïef?

Outsiderrol

Tot zover niets nieuws onder de zon. Maar, d’Orsay kan zo’n retrospectief natuurlijk niet brengen met oude koeien. Het doet dan ook iets nieuws: het haalt hem uit die vermeende outsiderrol en plaatst hem ín de kunstgeschiedenis. Met links Carpaccio en Uccello en rechts zijn fans Picasso, Ernst en De Chirico is dit een liefdevolle tentoonstelling. Het levert veel kijkplezier en mooie duo’s op (al gaan ze soms mank, Ingres is té anders). De vergelijkingen met modernen werken goed: Carrà, Léger en Ernst leenden zichtbaar zijn composities. Andersom geeft hun dynamiek een schwung aan de tentoonstelling, waardoor nog meer opvalt hoe anders Rousseau is. Het is stil in zijn werk, surrealistisch zo’n twintig jaar avant la lettre.

Dit alles levert een prachtige tentoonstelling op, een warm bad. Al twijfelen kunsthistorici over die kunstenaarsliefde. „Jij en ik zijn de grootste schilders van onze tijd”, zei Rousseau tegen zijn jonge gastheer Picasso die voor hem een banket organiseerde in 1908, „jij in de Egyptische stijl en ik in de moderne”. Picasso zou hem er later achter zijn rug over uitlachen. Was het toch een grap?

Vast niet. Andersom herken je bij Rousseau weinig invloeden van zijn avant-gardistische vrienden. Hij bleef op zijn eigen pad. En dat leidde hem naar ongerepte oorden – de douanebeambte die Parijs nooit uitging, kwam in gedachten overal en nog verder. Zulk escapisme hoorde bij die industriële tijden, maar Rousseaus levensverhaal klinkt als extra reden om te willen vluchten. Hij trouwde twee keer, beide echtgenotes stierven, net als acht van zijn negen kinderen.

Met het monumentale De Droom, passend bij zijn late oerwoudschilderijen die in d’Orsay een magistrale slotzaal vormen, probeerde hij in 1910 naar verluidt een potentiële derde echtgenote te interesseren, vergeefs. Die zomer kreeg hij een wond aan zijn been, waarna hij in september aan gangreen overleed: 66 jaar oud, eenzaam en arm. Zijn kunstenaarsvrienden ontfermden zich om zijn paupergraf: Apollinaire schreef dichtregels die Brancusi in een mooie steen beitelde.

Zo werd De Droom het ongeplande sluitstuk van zijn oeuvre. Een vrouw op een divan wijst richting het oerwoud waar ze over droomt, en wij volgen, dat woud in, dat dicht geschilderd is, blad voor blad, vijftig tinten groen, waar manshoge bloemen bloeien, de natuur als één organisme waar alles gonst. Dit is een wereld waar elke vezel gespannen staat en waar het recht van de sterkste geldt. En de sterkste, dat was Rousseau.