Het nut van de dubbele punt

Interview gerlach en koop Sinds 2000 zijn ze samen één ‘collectieve kunstenaar’, maar hun identiteiten blijven anoniem. Het duo gerlach en koop mag nu het Bonnefantenmuseum naar zijn hand zetten.

Anoniem, Johannes de Evangelist (calvariegroep), 1320, (detail) Foto gerlach en koop
4

Anoniem, Johannes de Evangelist (calvariegroep), 1320, (detail)
Muurschildering van Lily van der Stokker (detail) met een ziekenbekertje van Sfinx en een sokkeltje van William Graatsma
Toegevoegd element (in afwezigheid van Francis Alÿs). Een paar hardloopschoenen
gerlach en koop, Gebalgde stofzuiger, 2015. Stofzuiger, taxidermische houtwol

Ze zijn met zijn tweeën één, en wat ze maken is niet méér dan de som der delen, maar gewoon: 1. Naar hun beeltenis is het vergeefs zoeken. Je vindt hun portretten niet op internet, niet in tentoonstellingscatalogi, niet in deze krant en zeker niet op sociale media. De enige ‘pasfoto’ die van ze bestaat, zweeft op de website van het Mondriaan Fonds. Die foto laat een ijl blauw licht zien dat uitwaaiert naar wit: de mensen voor de camera in het pasfotohokje hebben zich vlak voor het afdrukken uit de voeten gemaakt. Wat achterblijft is een atmosferische leegte, vrij invulbaar.

Leegte, wil ik maar zeggen, is belangrijk voor gerlach en koop - de naam die per se met kleine letters wordt geschreven. De twee kunstenaars achter gerlach en koop geloven namelijk niet in hoofdletters, net zo min als ze geloven in een kunstenaarschap onder hun ‘echte’ naam, in geboortedata of levenslopen. Sinds 2000 zijn ze versmolten tot één ‘collectieve kunstenaar’. Net als de Italiaanse Arte Povera-voorman Alighiero Boetti, worstelden gerlach en koop met de verschillende persoonlijkheden die je als kunstenaar moet hebben: de atelierpersoonlijkheid, de publieke persoonlijkheid. Anders dan Boetti, die zijn eigen naam hanteerde en soms wel, soms niet de letter ‘e’ tussen zijn voor- en achternaam plaatste, kiezen gerlach en koop principieel voor anonimiteit. Daarom ook dat dit stuk alleen onder die belofte tot stand kon komen. „Wij vragen niet waaróm wij onzichtbaar zijn”, zegt een van de twee. „Wij vragen ons af waarom iedereen tegenwoordig per se zo aanwezig wil zijn. In een tijd van volledige transparantie proberen wij de substantie te bewaren van volledige ondoorzichtigheid.”

Ik spreek de kunstenaars in de aanloop naar de grote tentoonstelling in het Bonnefantenmuseum in Maastricht waarvan zij gastcurator zijn. Die tentoonstelling heeft de opzettelijk onuitspreekbare titel : – een dubbele punt. Die titel is belangrijk om even bij stil te staan, want tentoonstellingen van gerlach en koop bestaan niet alleen uit werken van henzelf of, zoals nu in het Bonnefanten, van zo’n zestig andere kunstenaars uit de elfde eeuw tot nu. Hun tentoonstellingen omvatten titel, teksten, sokkels, naambordjes, drempels van deuren, naar binnenvallend licht. Al die elementen spelen een rol in hun wonderlijk verstilde, maar uiterst associatieve en esthetische scènografieën.

In het Kröller-Müller lieten ze in 2008 een titelkaartje zeven weken lang in hun achterzak zitten, en hingen dat vervolgens onopvallend op. Slijten heet dat werk, en het vormde een mooi contrast met de onslijtbare werken van minimalistische reus Carl Andre vlakbij. Voor hun eerste grote solo in de Amsterdamse Appel in 2015 haalden ze de toegangsdeur uit hun sponning, stelden hem ten toon als een minimalistisch juweel en lieten de bezoeker ondertussen door een tijdelijk deurkozijn naar binnenstappen.

Drie weken geleden verklaren gerlach en koop me de titel van de tentoonstelling. Hun mail leest als een absurde dialoog, te beginnen bij een citaat uit de roman The Third Policeman van de Ierse schrijver Flann O’Brien (een pseudoniem):

What you think is the point is not the point at all but only the beginning of the sharpness:

„Mooi, maar misschien een beetje lang, kan het korter?”

Waarom wil iedereen per se zo aanwezig zijn?

What you think is the point is not the point at all:

„Nog te lang.”

The beginning of the sharpness:

„Ietsje nog …”

Sharpness:

„Wacht, we nemen alleen de dubbele punt van het eind.”

: ?

„Ja, maar dan zonder vraagteken. Na een dubbele punt volgt altijd een opsomming of een citaat. Een museumcollectie is een opsomming en als collectieve kunstenaar maken we daaruit een keuze, dus is het ook een citaat.”

Schuinbalken

Die dubbele punt, en dan verder - is de conclusie van een jaar onderzoek op uitnodiging van conservator Paula van den Bosch, het doorvlooien van het depot van het museum, veel lezen en zorgvuldig spreken over wat dat is – een collectie, en hoe je daar een tentoonstelling van maakt. „Het tonen van werk van andere kunstenaars”, schrijven ze me, „het maken van een collectieopstelling in een museum maakt je als kunstenaar nog niet tot een curator. Het betekent niet dat je jezelf ineens moet gaan schuinbalken tot kunstenaar/curator. We blijven kunstenaar. Dat heeft niet te maken met het ontwijken van verantwoordelijkheid. Wij maken tentoonstellingen als een medium in zichzelf, en of dat nu tentoonstellingen zijn met eigen werk zijn of met werk van anderen, in aanpak verschilt dat niet wezenlijk. Het is daarom ook niet onderschikt aan het ‘eigenlijke’ werk, iets wat we erbij doen. Het is het gevolg van onze intense belangstelling voor het kunstwerk, wat het kan doen, en hoe het dat doet.”

De collectie van het Bonnefanten is een brede: ze omvat niet alleen hedendaagse kunst, maar ook religieuze kunst, zestiende- en zeventiende-eeuwse schilderkunst, historische streekobjecten en kunstnijverheid. De verzameling, zeggen gerlach en koop, hebben ze ‘geschud’, zoals je graan schudt. Bij dat schudden blijven niet de topwerken over die iedereen kent, maar de weeskindjes, de onbekende werken, de niet uitgevoerde werken (zoals een grote muurschildering van Lily van der Stokker), de anonieme toevoegingen waarvan iedereen is vergeten hoe ze ook alweer in de collectie terechtkwamen.

Dat levert een verrassend mooie tentoonstelling op. De uitstraling is sereen - alsof je steeds hoger de bergen in loopt en alles om je heen een andere intensiteit krijgt. Zelfs de lucht wordt zwaar van het licht. De sereniteit wordt beklemtoond door het smetteloos witte, kubistische vormgevingsysteem dat architecten/vormgevers William Graatsma en Jan Slothhouber tussen 1950 en 1970 maakten.

Bescheidenheid

Onder de over een complete vleugel verspreide werken bevinden zich bestaande beelden van gerlach en koop (twee in elkaar geschoven bureaus bijvoorbeeld, die samen een van hun functie ontdane, absoluut aanraakbare sculptuur vormen) en werken van anderen. Sommige van die andere werken hebben de twee zich toegeëigend - al klinkt dat woord te hard voor de bescheidenheid waarmee gerlach en koop te werk gaan.

Zo dringt via de intercom in alle zalen het zacht schurende geluid door van iemand die zijn schoen poetst. Het geluid is met toestemming van kunstenaar Francis Alÿs losgemaakt van diens video Shoe Shine, die in de niet voor bezoekers toegankelijke centrale meldruimte van het museum wordt vertoond. Dit spel met zichtbaarheid en onzichtbaarheid is een constante in de expositie.

Een ander goed voorbeeld daarvan is een laatmiddeleeuws beeld van Johannes de Evangelist, dat zo is opgesteld dat via een cirkelvormige uitsnede in de muur eigenlijk alleen het boek in Johannes’ handen te zien is.

Ook een tank van mergel wordt bijzonder gepresenteerd. De vrij lompe klomp met een stokje als loop erin staat te boek als misschien wel een werk van Marcel Broodthaers. Volgens gerlach en koop ruilde Broodthaers het met een meisje dat hij in de jaren zestig tijdens een van zijn fotoreportages in Zuid-Limburg portretteerde. De tank werd in 1987 door de weduwe Broodthaers geschonken naar aanleiding van een grote aankoop door het museum. Nu staat de tank in een speciaal uit Brussel geleende, opulente houten vitrine met groen vilt bekleed. In deze context evolueert het werk tot ‘echte’ Broodthaers. Misschien is het wel zo. Ongetwijfeld klopt het zo. Dank zij de intense aandacht van gerlach en koop, geloof je wat zij zien.