De PVV uitsluiten is een slecht idee

Tom Lanoye pleit in NRC van zaterdag 9 april voor een cordon sanitaire rondom Wilders. Maar uitsluiting is politiek onhandig en moreel verwerpelijk, vindt Matthijs Rooduijn.

Beeld bewerking NRC

Tien jaar geleden dacht ik dat het wel zo’n beetje gedaan was met de groei van radicaal-rechtse partijen. Maar ik had het mis. Er was slechts sprake van een stilte voor de grootste radicaal-rechtse storm tot nu toe. De PVV is – net als soortgelijke partijen elders – alleen maar populairder geworden. En zelfs de landen waar het succes van deze partijen aan voorbij leek te gaan, zijn uiteindelijk toch bezweken voor de radicaal-rechtse verleiding. Bij de Europese verkiezingen in 2014 wist de Britse United Kingdom Independence Party (UKIP) veel meer kiezers dan ooit tevoren aan zich te binden. En nu lijken dan zelfs de VS (met Donald Trump) en Duitsland (met de Alternative für Deutschland, AfD) in de ban te zijn geraakt van radicaal-rechts.

Middenpartijen zitten met de handen in het haar. Hoe moeten ze reageren op dit radicaal-rechtse succes? Afgelopen zaterdag pleitte Tom Lanoye voor een cordon sanitaire rondom partijen als de PVV. Is dat een goed plan?

Veel West-Europese middenpartijen (zowel links als rechts) reageren op hun radicaal-rechtse uitdagers aan de hand van een dubbele strategie van omarming en afstoting. Ze omarmen radicaal-rechtse partijen door met name op het gebied van immigratie en integratie (het kernissue van radicaal-rechts) steeds dichter tegen deze partijen aan te kruipen. Natuurlijk nemen ze de radicale standpunten niet één-op-één over. Maar onmiskenbaar zijn hun opvattingen op dit vlak steeds restrictiever geworden. Een mooi voorbeeld in ons eigen land zijn de uitspraken van VVD-fractievoorzitter Halbe Zijlstra. In een interview met het Algemeen Dagblad noemde hij de stroom asielzoekers bijvoorbeeld „een run op Nederland” die we moeten stoppen, en hield hij een pleidooi voor het versoberen van de voorzieningen voor mensen met een tijdelijke verblijfsvergunning.

Tegenover deze omarmingsstrategie staat een tactiek van morele uitsluiting van dezelfde partijen wier opvattingen in verwaterde vorm worden overgenomen. Neem de huidige stand van zaken in Duitsland. Veel politici – maar ook journalisten – behandelen AfD-politici als paria’s; ze reageren in het beste geval verbeten en in het slechtste geval hysterisch op het succes van de partij van Frauke Petry. Het gezaghebbende tijdschrift Der Spiegel schrijft bijvoorbeeld dat de toenemende populariteit van de AfD de vraag oproept of Duitsland eigenlijk wel geleerd heeft van haar naziverleden.

Maar het buitensluiten gebeurt net zo goed in Nederland, waar sommige politici het ook niet kunnen laten radicaal-rechtse partijen weg te zetten als extremisten. Denk aan oud-D66-leider Thom de Graaf, die het nodig vond zijn afkeer van de ideeën van Pim Fortuyn kracht bij te zetten door Anne Frank erbij te halen. Of denk aan de PvdA, die de PVV uitsluit door te weigeren moties van die partij te steunen, ook als de sociaaldemocraten het inhoudelijk gewoon met die moties eens zijn.

Het duidelijkst zien we deze afstotingsstrategie in landen waar een cordon sanitaire is ingesteld rondom radicaal-rechtse partijen. Bijvoorbeeld in België, waar de gevestigde partijen vrijwel iedere vorm van samenwerking met het Vlaams Belang altijd hebben uitgesloten.

Tom Lanoye pleitte er op deze pagina voor de PVV ook op een dergelijke manier te benaderen. Dat lijkt mij een uitermate slecht plan. Uitsluitingsstrategieën zijn namelijk politiek onhandig en moreel verwerpelijk. Politiek onhandig, omdat het radicaal-rechtse partijen extra munitie geeft in hun strijd tegen de ‘politiek correcte’ gevestigde politieke orde. Het bevestigt hun boodschap dat de bestaande politieke klasse alleen maar met zichzelf bezig is en de zorgen van de gewone burger negeert.

En de afstotingstactieken zijn moreel verwerpelijk omdat ze radicaal-rechtse partijen wegzetten als illegitiem. Dit is onterecht, aangezien ze op een essentieel punt verschillen van de fascistische, nazistische en andere extremistische partijen waarmee ze vaak worden vergeleken: Fortuyn, Wilders, Le Pen en andere leden van de radicaal-rechtse partijfamilie verafschuwen geweld en bewegen zich binnen de kaders van de democratie.

Maar hoewel radicaal-rechtse partijen functioneren binnen de kaders van de democratie, staan hun ideeën op gespannen voet met een aantal van de meest fundamentele principes van onze liberale rechtsstaat. Zo staan radicaal-rechtse populisten negatief tegenover minderheidsrechten en het sluiten van politieke compromissen (die ze vereenzelvigen met verderfelijke achterkamertjespolitiek), en hebben ze een broertje dood aan checks and balances (ze willen het liefst zo direct mogelijk zelf de knopen doorhakken zonder lastig te worden gevallen door allerlei ‘bemoeizuchtige’ institutionele tussenlagen).

Hoe dan wel om te gaan met de radicaal-rechtse uitdaging? Aan de ene kant moeten middenpartijen radicaal-rechtse partijen accepteren als volwaardige deelnemers aan het politieke debat – hoe moeilijk dat soms ook is met notoire confrontatiezoekers zoals Wilders. Tegelijkertijd dienen middenpartijen veel duidelijker afstand te nemen van opvattingen die op gespannen voet staan met de rechtsstaat.

Helaas durven veel partijen uit angst voor zetelverlies een dergelijke strategie niet aan. Hun angst is echter een slechte raadgever. Ten eerste klopt het onder politici en journalisten wijdverspreide idee dat de gemiddelde kiezer steeds meer richting het radicaal-rechtse gedachtengoed is bewogen niet. Hoewel veel mensen die sowieso al vatbaar waren voor de retoriek van radicaal-rechtse partijen steeds radicaler werden, is er tegelijkertijd een tegenbeweging gaande: mensen aan de andere kant van het politieke spectrum zijn óók radicaler geworden, maar dan in tegengestelde richting. Er is, met andere woorden, geen sprake van verrechtsing, maar van polarisering. Dit betekent dat er ook een grote groep kiezers is die zich absoluut niet kan vinden in de opvattingen van radicaal-rechtse partijen. Zij zullen zeker niet negatief staan tegenover een stevigere aanpak van het radicaal-rechtse gedachtegoed.

Ten tweede getuigt de angst voor de kiezer van een ongezonde visie op hoe politiek bedreven zou moeten worden. Het adagium ‘de klant is koning’ zou niet moeten gelden in de politiek. Het is de taak, en ik zou zeggen zelfs de morele plicht van middenpartijen om op te komen voor institutionele checks and balances, een lans te breken voor het sluiten van compromissen, en pal te staan voor de rechten van minderheden.

Middenpartijen moeten, met andere woorden, veel meer leiderschap tonen en de radicaal-rechtse kiezer van het belang van deze rechtstatelijke principes overtuigen. Dat is zeker geen onmogelijke taak. Kiezers veranderen wel vaker van mening. En bovendien is, ironisch genoeg, leiderschap precies waar deze radicaal-rechtse kiezers naar op zoek zijn.

    • Matthijs Rooduijn