De ouders zitten erbovenop

Het onderwijs splitst zich steeds meer in aparte types (mavo, havo, gymnasium), zegt de inspectie.

„Het wordt steeds bepalender welke opleiding je ouders hebben gedaan”, zegt Monique Vogelzang, inspecteur-generaal van het onderwijs. „Hoe hoger opgeleid, hoe meer kans op een goede start om in een betere schoolloopbaan terecht te komen.”

De groeiende ongelijkheid tussen kinderen van laag- en van hoogopgeleide ouders is de belangrijkste ontwikkeling die de Inspectie van het Onderwijs in haar jaarlijkse Staat van het Onderwijs signaleert.

Hoe is het onderzoek opgezet?

„We vergeleken schoolloopbanen van kinderen met hoog- en met laagopgeleide ouders. Dat hebben we zo eerlijk mogelijk gedaan, door alleen leerlingen te nemen met een vergelijkbaar IQ of een vergelijkbare Citoscore. Dan zie je welk selectiemoment het verloop van de onderwijsloopbaan bepaalt.

„In het primair onderwijs krijgen leerlingen met hoogopgeleide ouders een hoger schooladvies. We zien dat nu nog sterker omdat het advies van de leerkracht bepalend is geworden en niet de uitslag van de Citotoets. Als de Citoscore achteraf naar hoger onderwijs zou leiden dan het advies van de leerkracht, krijgen leerlingen met hogeropgeleide ouders vaker een bijstelling dan bij laagopgeleide ouders. In het geval van een dubbeladvies, voor twee schooltypen, zien we dat leerlingen met hoogopgeleide ouders het hogere proberen en leerlingen met laagopgeleide ouders het lagere niveau kiezen.”

Hoe komt dat?

„Ouders zijn zich nadrukkelijker met het onderwijs gaan bemoeien. Vooral hoogopgeleiden volgen de schoolloopbaan van hun kinderen nauwgezet en bemoeien zich met de advisering. Je ziet nadrukkelijk meer investeringen in huiswerkbegeleiding, examentraining, het zogenoemde schaduwonderwijs.

„Op grond van de vraag van ouders en leerlingen zie je dat het onderwijs zich steeds verder splitst in aparte schooltypes: mavo, havo of gymnasium. Dat maakt het systeem minder flexibel. Je ziet het aantal brede brugklassen afnemen. Dat geeft minder doorstroommogelijkheden. Leraren hebben vaak onbewust hogere verwachtingen van kinderen van hoogopgeleide ouders dan van kinderen van laagopgeleiden. Daarnaast zie je dat scholen en besturen vaak het beleid richten op de gemiddelde leerling, risico’s uit de weg gaan. Met het oog op de inspectie gaan ze dan leerlingen lager plaatsen dan nodig is, zodat de resultaten goed blijven. We kijken daarom ook kritisch naar onze eigen rol, zodat we niet belemmerend werken.”

Vindt u het jammer dat de Citotoets niet langer het vervolgonderwijs mee bepaalt?

„De Citotoets was jaren geleden juist ingevoerd en speciaal gericht op kinderen die achterbleven. De objectieve toets corrigeert voor subjectieve advisering. Ik snap de negatieve emoties over de grote rol van die toets wel. Doe je het kind wel recht door op grond van één toets te bepalen wat het vervolgonderwijs wordt? Krijg je na zo’n toets de kans het nog beter te doen? Men wordt bang: het moet gelijk goed, want straks kan het niet meer. Veel ouders hebben toch het beeld dat je bent afgezakt als het kind naar het vmbo moet. Terwijl die school een geweldige kans biedt.”

Wat moet er volgens u gebeuren tegen de ongelijkheid?

„Je moet die eerst onderkennen. Welke belemmeringen zijn er? Het is niet opgelost als je alleen aan de Citotoets gaat draaien. Er zijn ook ongewenste effecten van maatregelen. Een mooi voorbeeld daarvan is de pabo, de opleiding tot leraar basisonderwijs. Daar moest de lat omhoog. Je ziet nu dat de instroom enorm is gedaald. Hadden we ingecalculeerd. Maar als we nu naar de instroom kijken, zien we heel veel blanke meisjes. Dan kun je weer de vraag stellen of dat de lerarenpopulatie van de toekomst moet zijn. Moet anders de lat weer naar beneden? Nee. Je moet je dan afvragen hoe je die opleiding aantrekkelijk maakt voor een ander publiek, ook uit het mbo.

„Sommige grote scholen worden geconfronteerd met een grotere instroom van leerlingen met laagopgeleide ouders. Die scholen hebben vaker te maken met ziekteverzuim. Ze worden sneller zwak tot zeer zwak. Dan kan het goed zijn dat er iets extra’s gebeurt voor die school.”

Ondanks extra aandacht voor uitblinkers en al die huiswerktraining is het niveau van basisschoolleerlingen de laatste jaren niet gestegen. Hoe komt dat?

„Afgelopen jaren is er inderdaad ingezet op excellentie. Leerlingen zijn op onderdelen gemotiveerder, maar in de examenresultaten zie je dat niet terug. Hoe dat precies komt, weten we niet.”

Juist op zwakke scholen zitten de onbevoegde leraren.

„Je ziet bij bepaalde scholen een opeenstapeling van problemen. Nemen ze expres onbevoegde leraren aan? Het zal te maken hebben met wat je kunt krijgen. Juist de topdocenten moeten op die scholen.”

Moeten leraren niet korter werken om hun werk beter aan te kunnen?

„Dat is lastig te zeggen met zulke grote verschillen. We hebben gesprekken over werkdruk van docenten. Met de staatssecretaris, met het primaire onderwijs. Sommige scholen zijn zo georganiseerd dat er helemaal geen werkdruk is. Op andere scholen komen de docenten om in het papier. Er is zoveel administratie. En als je dan gaat afpellen waardoor dat komt, dan zie je bijzondere mechanismen – mechanismen die van de inspectie niet hoeven. Doe nou niks waar je zelf niets aan hebt. Schrap in de bureaucratie.”