Asperges zijn geen lastige groente meer

Aspergeteelt Het gaat goed met de Nederlandse asperge. De hoeveelheid landbouwgrond is in vijftien jaar met 70 procent gegroeid, vooral in de Peel. „Mensen weten nu hoe ze ze moeten schillen.”

Aspergeteler Antoon Willemssen uit Overloon steekt de eerste asperges van dit seizoen, eerder deze week. Donderdag begint het aspergeseizoen. Foto’s Flip Franssen

In de keuken van Antoon Willemssen (47) pruttelt aspergesoep. Vandaag begint het aspergeseizoen, maar de aspergeteler haalde twee dagen geleden de eerste asperges al uit de grond. „Die zijn voor onszelf”, zegt hij.

Op leren klompen laat Willemssen daarna zijn 34 hectare land zien. Hier en daar steekt een paarse asperge voorzichtig boven de grond uit, maar verreweg de meeste zitten nog in de aarde verstopt. Willemssen knielt en graaft op een ogenschijnlijk willekeurige plek wat aarde weg. Een witte asperge komt tevoorschijn – ze worden paars en daarna groen door daglicht, legt hij uit. Willemssen kan het weten: op zijn 22ste oogstte hij zijn eerste eigen hectare, na jaren te hebben geteeld voor anderen. Op een kort uitstapje naar courgette na bleef hij zijn groente vijfentwintig jaar trouw.

3.570 hectare

Het gaat goed met de Nederlandse asperge. Sinds 2000 is de landbouwgrond waarop asperges geteeld worden meer dan 70 procent gegroeid, schreef het Centraal Bureau voor Statistiek (CBS) dinsdag in een rapport. In Nederland verbouwen boeren nu asperges op 3.570 hectare grond. Het merendeel daarvan zit in de Peel, de streek op de grens van Noord-Brabant en Limburg.

Ook de akker van Willemssen ligt daar. Zijn bedrijf groeide in vijf jaar van 14 naar 34 hectare, zijn productie steeg van 150.000 naar 350.000 kilo per jaar. Daarmee is hij bovengemiddeld groot: de meeste telers bezitten tussen de tien en twintig hectare, de grootste heeft er meer dan honderd.

Waarom het zo goed gaat met de groente? Volgens Richard Willems, directeur van het Nederlands Asperge Centrum is het simpel: de vraag is groter dan het aanbod. „Mensen eten meer asperges. In 2000 at een persoon gemiddeld 600 gram asperges per jaar, nu is dat 800 gram.”

Dat komt doordat de asperge bekender is geworden, zegt Willems. „Mensen vinden de asperge een moeilijke groente, maar door campagnes weet men beter hoe ze asperges moeten schillen, hoe ze te bereiden zijn en wat voor variaties mogelijk zijn.”

Ook is het voor boeren aantrekkelijk asperges te verbouwen vanwege het door teeltmethoden verlengde oogstseizoen.

Voor Willemssen geldt dat laatste minder, doordat zijn asperges niet in hoge maar lage zandgrond staan. Daardoor is een oogst in april, zoals nu het geval is, nog vrij vroeg. Willemssen heeft zijn eigen geheim om de opbrengst per hectare te verhogen: het dubbelsteken.

Gemiddeld brengt een hectare asperges vijfduizend kilo asperges op, volgens het CBS. Willemssen zit daar „flink boven”. Hij zet zijn plantjes niet in rechte rijen achter elkaar neer, maar kruislings, waardoor ze dichter op elkaar passen en er meer plantjes op een meter grond staan.

Dat de aspergeplantjes dichter op elkaar staan en daardoor dunner blijven, is alleen maar goed. Willemssen: „Niemand koopt asperges dikker dan 28 millimeter. Alles wat, dikker, schever of dunner dan de norm is, wil niemand hebben.”

Andere telers zijn het dubbelsteken ook aan het ontdekken, zegt Willemssen, maar hij was de eerste die het op grote schaal aandurfde. „Het is niet zonder risico. De planten zijn kwetsbaarder, omdat ze kleiner blijven. Ze kunnen verzuipen in onkruid.”

Vloeiend Pools

Op de akker gaat Willemssens telefoon af. In vloeiend Pools houdt hij een verhaal. De afgelopen jaren hebben Oost-Europese seizoensarbeiders het werk van de asperges overgenomen, ongeveer gelijk met de groei van de Nederlandse aspergeteelt. Over een paar dagen knielen op Willemssens grond zestig tot zeventig Polen tussen de asperges. Ze werken harder, zegt Willemssen. „Hollandse mensen moeten dan paardrijden, dan weer zwemmen. Sommige van de Polen zouden zeven dagen per week willen werken.”

De meesten van de tijdelijke arbeidskrachten komen in Overloon terecht via Willemssens Poolse vrouw. Ze verblijven op de camping van Willemssen. Of het niet raar is om je eigen medewerkers te huisvesten en op te moeten letten of alles goed gaat? „Ze vinden het fijn bij elkaar te zitten. En op deze doodlopende weg zijn ze niemand tot last.” Voor de tijdelijke krachten –ze blijven zolang het seizoen duurt – heeft het ook veel voordelen, zegt Willemssen. „Het is op de camping een stuk goedkoper voor ze dan als ze elders moeten slapen. En het is ook makkelijk: ze staan op en kunnen aan het werk.”