Wijsvinger

John Degenkolb brak zijn onderarm, al was dat een akkefietje. Het was een wijsvinger die er nog maar met een paar draadjes aanhing, die de chirurgen in vijf operaties tot formidabele hoogstandjes dwong.

Hij zei dat hij af en toe erover probeert te praten, „met mensen die er verstand van hebben”. De interviewer drong aan. Hij wilde er het fijne van weten – en ik ook. Was het niet haast een godswonder dat hij als eerste Nederlander was binnengekomen op de wielerbaan van Roubaix, na alles wat hij in januari had meegemaakt?

Ramon Sinkeldam had niet veel zin om te praten over het praten met mensen die er verstand van hebben. Hij noemde zijn trauma „een klein trauma”.

Zo makkelijk kwam Sinkeldam er niet vanaf. Had het kleine trauma hem in de koers parten gespeeld? Een beetje toch. Onderhuids knaagt een geniepige angst. Hij knijpt eerder in de remmen waardoor hij kostbare plaatsen verspeelt in het gedrang naar de volgende kasseistrook. De minimale ontboezeming ontroerde me. Toen gaf hij een receptuur prijs tegen de angst die beter is dan praten: goede benen. De goede benen zijn duidelijk op komst.

Ramon Sinkeldam brak in januari een schouderblad. Niet bepaald een blessure die om geestelijke bijstand vraagt. Hij kan zich er ook weinig van herinneren. Na de klap was hij geruime tijd buiten westen, wat een zegen was. Voor de details moeten we bij John Degenkolb zijn, de winnaar van de voorlaatste Parijs-Roubaix. In de vorm van een monoloog publiceerde De Telegraaf onlangs zijn herinneringen aan de klap.

Eerst luist de voorzienigheid je erin, dan keert ze halfslachtig op haar schreden terug

Een trainingsrit in de buurt van Calpe. Prima weer. De ploeg Giant- Alpecin duikt een afdalinkje in. De tegemoetkomende SUV komt op de verkeerde weghelft terecht. Degenkolb ervaart het alsof hij beeldje voor beeldje opschuift in een acht-millimeterfilm. Toen: stilte. „We lagen in een gebied van zo’n vijftig tot honderd meter overal verspreid. Alle jongens lagen er muisstil bij. Ik heb mijn bewustzijn geen moment verloren.”

Giant- Alpecin hoefde niemand te begraven, maar het had niet veel gescheeld. Wel was het nodig om af en toe een koers af te zeggen, bij gebrek aan renners. Eerst luist de voorzienigheid je erin, dan keert ze halfslachtig op haar schreden terug.

John Degenkolb brak zijn onderarm, al was dat een akkefietje. Het was een wijsvinger die er nog maar met een paar draadjes aanhing, die de chirurgen in vijf operaties tot formidabele hoogstandjes dwong. „Er werd uit mijn bekken een stuk bot weggenomen om daarmee de vinger te versterken.” Pas als een wijsvinger het niet meer doet merkt een wielrenner het cruciale belang ervan.

Dit brengt me bij de wijsvingers van Mathew Hayman, de ongedroomde winnaar van Parijs-Roubaix. Hayman won de koers op een onaangepaste fiets, op de dikkere banden na. Waar specialisten als Sagan en Cancellara zwoeren bij mechanische, schokbestendige versnellingscommandeurs deed Hayman het met de onbetrouwbare, wijsvingergevoelige elektronische tiptoetsvariant.

Kortom, voor John Degenkolb is een halfdode wijsvinger nog lang niet het einde van de wereld.