Column

Toch nog naar Bosch

Moesten we nog naar Jeroen Bosch? We beseften dat er nauwelijks aan te ontkomen viel. De sociale druk werd te groot. Elke keer in gezelschap die onontkoombare vraag: „Hoe vond je Bosch?” Eerst verstond ik nog: Den Bosch. Maar zo gemakkelijk kwam ik er niet vanaf. Het was nu of nooit, wilde je niet de rest van je leven voor cultuurbarbaar doorgaan. Toch zagen we er nogal tegenop. We beseften dat half Nederland ons al was voorgegaan en dat de andere helft ons nu in dat museum wilde verdringen.

We merkten het al bij het reserveren van zo’n ‘tijdslot’, een woord dat je ook kunt lezen als een lot van deze tijd: drukte. Het kon al niet meer overdag, maar alleen in de avonduren, waarmee we nog bofkonten waren want enkele dagen later raakten ook die kaarten uitverkocht. (Inmiddels heeft het museum besloten in de meivakantie ook ’s nachts tot 01.00 uur open te zijn.)

Ik ben niet dol op zulke tijdsloten, die je weken tevoren moet reserveren. Ze veroorzaken een bijna fysieke benauwenis. Je komt ze voortdurend in je agenda tegen als een dure plicht die je nog te wachten staat. Het tijdslot is de mentale pendant van de enkelband. Ik betrapte me erop dat ik me tegen mijn vrouw liet ontvallen: „Ik zal blij zijn als het achter de rug is.”

Ik vrees ook dat het geen toeval was dat we op de dag zelf naar het verkeerde museum liepen: het Stedelijk Museum van Den Bosch. Die vergissing was freudiaanser dan Freud ooit bedoeld kan hebben. Pas toen we dat museum aan de glazen achterkant stonden te bewonderen, drong tot me door dat deze entourage te hedendaags was voor Jeroen Bosch.

Vergissen was daarna niet meer goed mogelijk, zoveel musea heeft Den Bosch nu ook weer niet. We betraden het Noordbrabants Museum, er zat niets anders op. Toen we alle controles waren gepasseerd – het had iets van een grensovergang vóór Schengen – en de jassen waren ingeleverd, voelde ik het tijdslot eindelijk van me afglijden. Veel bezoekers weten het niet, maar als je er eenmaal in bent, mag je zo lang blijven als je wilt. De vraag is wel: wil je dat ook, maar daar kom ik later nog op terug.

De suppoosten van het Noordbrabants Museum zijn de beste van de wereld. Nooit eerder had ik meegemaakt dat een suppoost al bij de ingang zei: „U kunt in verband met de grote drukte het best meteen doorlopen naar achteren en dan weer langzaam teruglopen naar voren.”

Het was een nuttige tip, omdat veel nieuwe bezoekers, nog bruisend van energie en cultuuroptimisme, geneigd zijn lange tijd bij de eerste schilderijen door te brengen. Die rijen sloegen we over toen we ons naar achteren begaven. Je moest wel voorzichtig door de menigte blijven waden, want het was behoorlijk donker.

Helaas bleef het bij enkele schilderijen reusachtig druk, die hadden last van het Mona Lisa-effect. Uiteraard is de Tuin der Lusten zo’n schilderij. Iedereen wil het zien, hoewel middeleeuwse en hedendaagse ontucht als twee druppels zaad op elkaar moeten lijken. Mij viel het wel mee (of tegen?), ik vond dat Bosch zich aardig had ingehouden, afgezien van dat plantje in iemands aars.

Wij zijn bijna twee uur gebleven. Langer zou ik niet doen, dan ga je je met al die mensen om je heen in het duister toch een beetje in zo’n door Bosch geschilderde hel voelen – een hel met een eeuwig tijdslot. Dat kan altijd nog.