Nooit zullen we weten ‘wat het volk wil’

Als Maxim Februari goed nadenkt over het Oekraïne-referendum houdt hij toch één puzzelstukje over. „Het is onbegrijpelijk dat we in deze schimmigheid zijn beland.”

Beeld NASA/Wikimedia Commons/iStock, Beeldbewerking NRC

Vooruitgangsbelofte nummer één: door alle medische vooruitgang gaan we nooit meer dood. Vooruitgangsbelofte nummer twee: door democratisering kunnen we onze stem laten horen en worden we vanzelf gelukkig. Aan mij vervolgens de taak op deze plek dit soort illusies te ontmantelen en in alle redelijkheid op te schrijven dat de wereld voor zoveel eenvoud te rommelig is. Waarin ik natuurlijk volkomen gelijk heb. Maar waarmee ik nooit een volksleider zal worden. Ik heb een rotbaan.

Het maatschappelijk gesprek begint altijd spannend met een grote greep. Neem de belofte van de onsterfelijkheid. „Je behoort tot de laatste generatie die doodgaat”, zeggen de apostelen. You are the last generation that will die; je kinderen zullen doorleven tot ze geen pap meer kunnen zeggen. Deze belofte heeft de charme van de krankzinnigheid en je zou willen dat we er iets langer bij konden verwijlen, maar we moeten door. Want meteen slaat de narrigheid toe. De beschuldiging.

Is eeuwig leven het doel, dan is sterven immers al gauw een medische blunder. En dus bestaat de tweede stap in het gesprek uit wantrouwen jegens artsen. „Zodra een patiënt doodgaat, denk je: wat heb ik fout gedaan?”, hoor ik een arts in een documentaire vol zelfbeschuldiging vragen. Na dit rituele aanwijzen van de schuldigen volgt dan de derde fase in het denken: de overpeinzingen van de verstandige mensen. Want hoe moet het met de aarde als we maar doorleven en steeds dikker worden? Of zijn we helemaal niet onsterfelijk en wordt ons leven door dat dikker worden juist korter? Tot slot wordt alle opwinding definitief de kop ingedrukt met de saaie overwegingen waarin ik grossier. Dat medische mogelijkheden op grenzen stuiten, bijvoorbeeld. Zelfs al kunnen we eeuwig leven, moeten we dat dan wel willen?

Precies diezelfde cyclus volgt het gesprek over de democratische illusie. Ook hier aan het begin een grote greep: de gedachte dat het volk kan spreken. Hier wordt geen onsterfelijkheid beloofd, maar conflictloosheid. Nieuwe communicatiemogelijkheden scheppen nieuwe bestuurlijke mogelijkheden: als het volk wordt geraadpleegd en zegt wat het wil, wordt het vanzelf blij. Waarmee je meteen in de beschuldigingsfase belandt. Want als het volk niet blij is, maar boos, heeft de bestuurder iets fout gedaan.

In de fase die volgt komen zoals gezegd de verstandige mensen aan het woord; die wijzen erop dat iedereen in de demos iets anders wil. Hoe goed je ook naar de burgers luistert, nooit zul je weten ‘wat het volk wil’. Neem een van de kranten van de afgelopen dagen: alle mensen die ik hoogacht en bewonder zeggen hetzelfde. Het is belangrijk weer te laten zien dat politieke partijen verschillen in hun opvattingen: dat toont wat er te kiezen valt. Je hebt ‘wij’ en je hebt ‘zij’ and never the twain shall meet. Doe dan ook niet alsof dat wel zo is.

„De verplichting tot coalitievorming met een volstrekte tegenpool staat in geen enkele grondwet”, zegt de een. Meld daarom vooraf welke coalities je uitsluit. De kiezer wil niet dat partijen na felle campagnestrijd samen regeren, zegt de ander. „Rechtse kiezers willen voortaan dat hun partij met rechts regeert, linkse kiezers met links.” „Door de globalisering en Europeanisering kunnen we de hang naar antagonisme in de politiek niet meer goed kwijt”, zegt een derde. Vergeet niet dat mensen behoefte hebben zich ergens tegen af te zetten.

Oké, klinkt verstandig. Hierna zou ik zoals gebruikelijk nog iets abstracts kunnen zeggen. Over de misvatting in onze liberale cultuur dat je onverzoenlijke politieke tegenstellingen kunt verzoenen, wat per definitie niet zo is. Voor de broodnodige columnistieke bite zou ik dan snedig schrijven over de premier, die overtuigd aanhanger is van de liberale gedachte dat je geen ruzie kunt krijgen zolang je niets zegt.

Maar vandaag blijft er, als ik deze puzzel vakkundig heb gelegd, aan het eind toch één puzzelstukje over. Het rare feit namelijk dat zelfs in mijn bezonken kennissenkring velen blijven hangen bij de grote greep. De illusie dat het volk kan spreken en collectief krijgt wat het wil. En de helden van dit grote verhaal dat ‘het volk heeft gesproken’ zijn een eenmanspartij en een paar organisatoren van een referendum die alleen onherkenbaar op de foto willen.

Mensen zijn niet allemaal debiel, denk ik dan. De meesten wéten dat schimmige figuren geen antwoord zijn in een situatie die vraagt om duidelijkheid. Waarom we met z’n allen op weg naar uitgesproken meningen dan toch in die schimmigheid belanden: ik kan er met mijn hoofd niet bij. Een onbegrijpelijk en duister puzzelstukje dus waar ‘volk’ op staat en verder niet veel herkenbaars: boeiend wel, maar ook licht zorgelijk.