Kamer maakte zelf een potje van het terreurdebat

Het grootste deel van de 166 Kamervragen die vorige week in het terreurdebat werden gesteld, hadden de Kamerleden zelf kunnen beantwoorden, menen Edwin Bakker en Jelle van Buuren.

illustratie Hajo

Het stof van het terreurdebat in de Tweede Kamer is neergedaald. De vraag die de discussie steeds meer beheerste – overleeft minister Van der Steur het – is beantwoord. Hopelijk is er nu ruimte vast te stellen wat er allemaal in de politieke discussie is misgegaan.

Want het debat verdient geen schoonheidsprijs en vooral geen herhaling. Het zal niet de laatste keer zijn dat de Kamer discussieert over terrorismebestrijding onder druk van aanslagen dichtbij. Die hebben een grote impact op de samenleving. De manier waarop de politiek debatteerde over terrorismebestrijding draagt bij aan waar het terroristen om te doen is: het aantasten van het veiligheidsgevoel. Bovendien geeft de controlerende macht blijk van een gebrek aan kennis.

Elke dag worden tienduizenden brokjes politie-informatie internationaal uitgewisseld. Informatie die uit het buitenland naar Nederland komt, wordt vergeleken met informatie in de eigen politiesystemen. Als daar niets bijzonders wordt gevonden waar Nederland zelf strafrechtelijk op kan handelen, wordt de informatie opgeslagen en gebeurt er verder niets. Tenzij het buitenland aan Nederland vraagt op te treden. Zulke verzoeken verlopen doorgaans via politieliaisons die op basis van vertrouwen, persoonlijke contacten en kennis van de verschillende rechtsystemen tekst en uitleg kunnen geven bij bepaalde informatie.

Soms wordt die context automatisch gegenereerd, zoals in het Schengen Informatie Systeem (SIS). Als iemand in Nederland wordt aangehouden en zijn naam meestal automatisch gecontroleerd wordt in het SIS, kan een hit verschijnen. Dan wordt duidelijk wat Nederland moet doen: aanhouden of onder observatie plaatsen. De informatie uit Turkije over de uitwijzing van El-Bakraoui naar Nederland bevatte geen context of uitleg en geen verzoek tot handelen.

El-Bakraoui stond ook niet in het SIS gesignaleerd en werd dus niet staande gehouden op Schiphol. Nu bekend is dat hij later betrokken was bij de aanslag in Brussel, is dat een haast onverdraaglijke gedachte. Maar dat verandert niets aan het feit dat Nederland geen enkele aanleiding noch juridische titel had om El-Bakraoui aan te houden. Zo werkt de internationale politiesamenwerking en informatie-uitwisseling. Dat hadden de Kamerleden kunnen en moeten weten. Politiesamenwerking wordt geregeld in verdragen en overeenkomsten die de Kamer zijn gepasseerd. Over de Europese politie- en justitiesamenwerking vindt regelmatig overleg in de Kamer plaats.

Het grootste deel van de 166 Kamervragen over de terreur hadden de Kamerleden zelf kunnen beantwoorden als ze zich voldoende op de hoogte hadden gesteld van de internationale politiesamenwerking. Nu werden er vragen gesteld die vooral lieten zien dat de Kamer gebrek aan kennis heeft.

Wat had Nederland kunnen of moeten doen nadat eind 2015 bekend was geworden dat El-Bakraoui gelinkt werd aan terrorisme, en zeker toen bekend was dat hij een van de aanslagplegers was? Had Nederland toen niet alles op alles moeten zetten om alsnog zijn gangen na te gaan? Het merkwaardige is dat alle Kamervragen zich richtten op de politie en de internationale politiesamenwerking. Maar terrorismebestrijding is bij uitstek het werkterrein van de inlichtingen- en veiligheidsdiensten. Je hoeft geen deskundige te zijn om te kunnen bedenken dat de AIVD volop aan het werk is gegaan. Waarom is geen Kamerlid op het idee gekomen om te vragen of wellicht de AIVD ook betrokken was bij het onderzoek na Brussel? En waarom heeft de minister niet aan de Kamer duidelijk gemaakt dat er naast de internationale politiesamenwerking ook door de inlichtingen- en veiligheidsdiensten volop aan Brussel werd gewerkt? Nu is van beide zijden het beeld in stand gehouden van een Nederlands veiligheidsapparaat dat passief uit het raam zit te staren tot het een verzoek uit het buitenland krijgt. Dat beeld klopt niet. De grote woorden die in de Kamer werden gebezigd – „ongekend amateuristisch optreden” – zullen als een klap in het gezicht zijn ervaren door de politie.

Het Kamerdebat stond allengs steeds meer in het teken van de vraag of de minister het nog zou redden, waarbij de koppeling werd gelegd met eerdere uitglijers. Het punt is dat het daar helemaal niet om had moeten gaan. Het ontspoorde debat heeft namelijk meer gevolgen dan een beschadigd politiek blazoen. Een groot aantal mensen was weken aan het werk om de vele Kamervragen te beantwoorden, waarbij een beroep is gedaan op ambtenaren, politieliaisons, informatieanalisten en anderen die juist nu iets beters te doen hebben. En het beeld van een passief, amateuristisch veiligheidsapparaat heeft zich vastgezet, waardoor het veiligheidsgevoel is aangetast.

Nederland en Europa moeten zich er op instellen dat terrorismedreiging nog lang een wissel trekt op de samenleving. Van de minister mag gevraagd worden dat hij de beginselen van terrorismebestrijding kent. Van de Kamer mag gevraagd worden dat ze haar kennis en prioriteiten op orde heeft en in staat is een debat over terrorismebestrijding te voeren zonder zich in details verliezen. Kamerleden moeten niet op de stoel van operationele diensten gaan zitten en zich overgeven aan almachtsfantasieën over hoe zij wél die verduivelde El-Bakraoui eigenhandig hadden weten op te sporen.