Alleen héle saaie mensen zeggen ‘aangeven’ ipv ‘zeggen’

Wekelijks rekent Japke-d. Bouma af met jeukwoorden op kantoor.

Waar ik dus echt zwerende bulten van ellende van krijg, is van mensen die de hele tijd ‘aangeven’ zeggen waar ze ‘vinden’ of ‘zeggen’ bedoelen. Sinds er ooit een mediacoach in Bussum mee begonnen is, groeit het als een stinkende schimmel over ons dagelijks taalgebruik. Het zuigt de puf uit elk debatje, de fut uit elk idee en fluistert ‘alles wat hierna komt kan je negeren’. Als ik iemand iets hoor aangeven schiet ik bovendien altijd in de slaapstand. Want het zijn altijd extreem saaie en fantasieloze mensen die het zeggen. Mensen die ook ‘markeren’ zeggen, ‘ideeën inbrengen’ en ‘het kan niet zo zijn dat’. Mensen die niet nadenken voordat ze iets zeggen, of juist te veel; allebei dodelijk natuurlijk, voor een frisse dag op kantoor.

‘Aangeven’ betekent volgens de Dikke Van Dale ‘iemand iets aanreiken’, of ‘iets in grote lijnen bekendmaken’, maar dat bedoelen de ‘aangevers’ nooit. In de politiek bijvoorbeeld, worden dingen aangegeven om gedram mee te maskeren, of om mee te verbloemen dat ze je iets door de strot proberen te duwen. Dan zeggen ministers bijvoorbeeld dat ze al ‘verscheidene malen richting de voorzitter’ een nietszeggend antwoord hebben ‘aangegeven’ en dat ze dat dolgraag nog een paar keer willen doen. Verder komt ‘aangeven’ te pas en te onpas in de communicatie poepelepatie om de hoek als er enquêtes zijn ingevuld of mensen iets is gevraagd als in: ‘een kwart van onze doelgroep geeft aan vochtig toiletpapier te gebruiken’.

Jongens, stop eens met dat aangeven. Iedereen ergert zich er dood aan. Want je KRIJGT ook nooit iets, als dat soort mensen iets aangeeft. Er komt altijd iets strontvervelends, iets van kritiek, of een reprimande ofzo, nooit even ‘alsjeblieft, ik wilde even aangeven dat je haar zo leuk zit’, of dat je salarisverhoging krijgt.

Daar komt nog eens bij dat het ook iets tragisch heeft, dat aangeven. Dan zie ik ze voor mijn geestesoog al maanden met een lamme arm iets op een dienblad staan te presenteren, maar blijkbaar heeft niemand het aangepakt. Dat is overigens wel het enige voordeel van aangeven: je hoeft het niet aan te nemen. En doe je dat wel, kan je het altijd nog doorgeven, opgeven, teruggeven of weggeven.

Ik zeg het niet graag, maar je kan bijna nog beter ‘iets bij iemand neerleggen’ of iets ‘tegen iemand aanhouden’, dan iets ‘aan iemand aangeven’. Want als je iets neerlegt, kan je nog weglopen en wordt het misschien nog opgepakt als je uit het zicht bent; en als je iets tegen iemand aanhoudt, springt misschien de vonk nog over. Dat zal bij aangeven nooit gebeuren.

Maar het ergste is natuurlijk, dat ‘aangeven’ de poort is naar de échte hel aller jeukwoorden. Want in een zin die begint met ‘aangeven’, zijn de processen, de trajecten en het ‘sturen op kwaliteit’ vaak niet ver. Aangeven is het smeermiddel van de ambtelijke bullshitbingo: alle ellende plakt er moeiteloos aan vast. Daarom zeg ik: distantieer je ervan! Zeg het niet, zeg het nooit – bevrijd jezelf! Als we stoppen met ‘aangeven’, lazert het hele jeukwoordencircus als een kaartenhuis in elkaar.

Nieuwe tijden breken aan.