Blootstelling hormoonverstorende stoffen kost Europa jaarlijks miljarden euro’s

De blootstelling aan hormoonverstorende chemische stoffen kost landen binnen de Europese Unie jaarlijks vele miljarden euro’s. Dat staat in een onderzoek van de Universiteit Utrecht, gemaakt in opdracht van het ministerie van Infrastructuur en Milieu.

De ziektekosten door schadelijke stoffen in onder meer voeding, cosmetica, kunststoffen en bestrijdingsmiddelen belopen minimaal 46 miljard euro en in de meest pessimistische scenario 288 miljard euro. „Alle reden voor overheden om in te grijpen”, zegt hoogleraar toxicologie aan de Universiteit Utrecht Martin van den Berg, een van de auteurs van het rapport. „Zelfs als wij met met onze minimumschatting van jaarlijks 46 miljard nog veel te hoog zouden zitten, dan gaat het nog altijd om belachelijk hoge kosten.”

Er zijn ruim tachtig aandoeningen die wetenschappers in verband hebben gebracht met blootstelling aan „enkele honderden stoffen” die, afhankelijk van de dosis, een effect hebben op de hormoonhuishouding van de mens. „Veelal treden effecten op na blootstelling als het lichaam nog ontwikkeling is, dus als foetus of als jong kind”, aldus Van den Berg. Het gaat om zeer verschillende aandoeningen, van onvruchtbaarheid en teelbalkanker, tot obesitas, diabetes, ADHD en verlies van IQ.

De stoffen die in meerdere of mindere mate voor de gezondheidsschade verantwoordelijk worden gehouden, zijn deels al verboden of ‘uitgefaseerd’, zoals dioxinen, DDT, en PCB’s en gebromeerde vlamvertragers, maar zijn nog niet uit het milieu verdwenen. Andere stoffen, zoals weekmakers en bisfenol A, worden nog altijd veelvuldig geproduceerd. „Blootstelling aan veel van deze chemicaliën is nog altijd alomtegenwoordig”, schrijven de onderzoekers.

Dat de schatting van de kosten zo uiteenloopt, komt vooral doordat wetenschappers niet zeker zijn in welke mate de blootstelling aan een stof verantwoordelijk is aan een ziekte. Daarover is veel discussie, en deze discussie is bovendien „gepolariseerd”, aldus het onderzoek, ook doordat producenten economische belangen hebben. Soms wordt de bijdrage van blootstelling op 1 procent geschat, maar soms ook op 20 of 40 procent. „Wij spreken over die weging van causaliteit geen oordeel uit”, licht Van den Berg toe. Onlangs kwam in het nieuws dat bij de productie van teflon bij DuPont in Dordrecht mogelijk schade is toegebracht aan werknemers en omwonenden door blootstelling aan de fluorkoolstof PFOA.

Ook verschilt de kennis van de kosten per ziekte flink. De grootste kosten lijken voort te komen uit neurologische ziektes, zoals ADHD en autisme, en metabole ziektes zoals obesitas en diabetes. De onderzoekers zijn ook vrij zeker over de kosten van het verlies van IQ als gevolg van blootstelling aan hormoonverstorende stoffen in de prenatale fase. „Dat is vrij nauwkeurig uit te rekenen”, zegt Van den Berg. De kosten van IQ-verlies worden geschat op jaarlijks 32 tot 184 miljard euro. „Een lager IQ betekent in een westerse samenleving, waar veel van multitaskende inwoners wordt gevraagd, dat de maatschappelijke prestaties dalen, en dat daardoor het inkomen daalt. Op populatieniveau zijn de kosten dus zeer hoog.” Het ligt dan ook voor de hand, aldus Van den Berg, om vooral nauwkeurig te onderzoeken welke hormoonverstorende stoffen in welke mate de ontwikkeling van het IQ frustreren. „Dáár lijken grote kosten te zitten.”