Hoe de polder het opnam tegen de crisis

Sociaal akkoord Het sociaal akkoord bracht vakbonden en werkgevers bij elkaar, midden in de crisis. De belangrijkste verdienste van het akkoord volgens betrokkenen? Dat het er kwam.

Foto Koen van Weel / anp

De ene zondag na de andere, zo’n zes weken lang, had premier Mark Rutte in het geheim onderhandeld met de werkgevers en vakbonden: over het ontslagrecht, een betere bescherming van werknemers met losse contracten, de WW, werk voor gehandicapten. En op de dag dat alle afspraken daarover in het ‘sociaal akkoord’ stonden, deze week drie jaar geleden, was Ruttes belangrijkste boodschap aan het Nederlandse volk: koop nu die nieuwe auto maar. Of dat nieuwe huis.

In vraaggesprekken met betrokkenen bij dat akkoord wordt er soms lacherig over gedaan. Of het, als je terugkijkt, gelukt is met al die auto’s?

Het ging er in het voorjaar van 2013 natuurlijk om dat werkgevers makkelijker van vast personeel af konden komen, dat werknemers niet meer eindeloos op losse contracten werk deden dat vast hoorde te zijn, dat oudere werknemers meer kansen kregen en gehandicapten niet meer zomaar een speciale Wajonguitkering kregen en in de – dure – sociale werkvoorziening terecht zouden komen, maar in ‘gewone’ bedrijven met subsidie van de gemeenten.

Ook in die tijd werden er grappen gemaakt over de auto’s van Rutte. De economische crisis was misschien wel op een hoogtepunt, het aantal faillissementen nam toe, 634.000 mensen zaten zonder werk. Hoe kon een serie goedbedoelde afspraken over de arbeidsmarkt genoeg zijn om consumenten weer vertrouwen te geven?

Het poldermodel leefde nog

En toch, zeggen mensen die mee onderhandelden of er dicht bij zaten, was het akkoord nodig voor de politieke en sociale stabiliteit van het land – en dus ook voor de economie. „Het was crisis met een grote C”, zegt iemand. „We waren als een konijn in de koplampen”, zegt een ander.

De grootste vakbeweging van Nederland, de FNV, was bijna ruziënd uit elkaar gevallen, maar zat ineens weer als serieuze gesprekspartner aan tafel. Het kabinet-Rutte II, nog maar net aangetreden, had al een crisis achter de rug over de inkomensafhankelijke zorgpremie en was wankel door het gebrek aan steun in de Eerste Kamer – en leidde nu toch de gesprekken over de arbeidsmarkt.

„Het politieke landschap versplinterde”, zegt Albert Jan Maat, voorzitter van land- en tuinbouworganisatie LTO Nederland. „We zagen het populisme toenemen in plaats van het idee dat je de crisis met elkáár moest oplossen. We zaten ook al met Griekenland en de euro, we hadden Geert Wilders en de reacties die hij losmaakte in islamitische landen. Bij ons als werkgevers was er grote zorg.”

Wie je er nu ook naar vraagt – bij de werkgevers, de werknemers of op het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid – iedereen noemt als belangrijkste verdienste van het sociaal akkoord: dat het er kwam. Want daarmee was aangetoond dat het Nederlandse poldermodel nog leefde en er niets mis was met samenwerken en compromissen sluiten.

De FNV was bijna ruziënd uit elkaar gevallen maar zat ineens weer als serieuze partner aan tafel

Al wil FNV-voorzitter Ton Heerts wel gezegd hebben: „Het verhaal dat ons wat gegund moest worden, klopt niet.”

Door conflicten over het pensioenstelsel en een aangekondigde reorganisatie was er van zijn vakbeweging weinig meer over op het moment dat de werkgevers langskwamen om eens te praten over de arbeidsmarkt. Heerts was alleen nog maar interim-voorzitter en de werkgevers wisten dat hij een akkoord dat gunstig was voor de vakbond goed kon gebruiken om gekozen te worden als voorzitter.

Maar voor werkgeversorganisatie VNO-NCW, zegt Heerts, was het „heel belangrijk om iets te doen aan de ontslagvergoedingen”. De ondernemers wilden dat ontslag makkelijker en goedkoper werd. Op het ministerie van Lodewijk Asscher (Sociale Zaken en Werkgelegenheid, PvdA) zagen ambtenaren dat er in het sociaal akkoord wat meer aandacht was voor de rechten van werknemers, vooral die met een los contract, dan voor de behoeften waarmee werkgevers kwamen. Maar dat werd daar gezien als een noodzakelijke correctie op een arbeidsmarkt die volgens Asscher de jaren ervoor veel te flexibel en onzeker was geworden.

Ze zagen ook dat de regels voor het ontslagrecht, met de noodzaak van een zorgvuldige dossieropbouw en de verplichting om altijd een ontslagvergoeding te betalen, misschien makkelijker uit te voeren zouden zijn voor grote bedrijven dan voor kleine ondernemers. Rutte en Asscher zouden Bernard Wientjes, toen nog voorzitter van VNO-NCW, een paar keer hebben gevraagd of er niet „iets aparts” moest worden geregeld voor het midden- en kleinbedrijf. Dat hoefde niet.

Onwerkbaar in het seizoenswerk

Van het mkb had niemand meegedaan aan de geheime onderhandelingen op landgoed De Zwaluwenberg in Hilversum. Daar zaten alleen Rutte, Asscher, Wientjes en Heerts met elkaar aan tafel. „Vijf dagen voordat het akkoord definitief was”, zegt Maat van LTO Nederland, „heb ik in een wegrestaurant bij Woerden nog een biefstukje gegeten met Michaël van Straalen, toen nog vicevoorzitter van MKB Nederland. Om over onze laatste zorgen te praten. Het ging er vooral om of de afspraken te behappen waren voor de kleine ondernemers. Bijvoorbeeld bij een dreigend faillissement: als het met een bedrijf slecht gaat, kan de verplichte betaling van een transitievergoeding aan ontslagen medewerkers zo’n bedrijf net over de rand laten storten.”

Een oplossing kwam er niet voor. Van Straalen, nu MKB-voorzitter, was dit voorjaar ook het meest uitgesproken in zijn kritiek op de nieuwe ontslag- en flexwet, bedacht in het sociaal akkoord. Volgens hem is de wet mislukt en hij vindt dat ook de bonden dat moeten inzien: het lijkt er niet op dat mensen met een los contract, ondanks al hun extra rechten, nu eerder een vaste baan krijgen.

Maat van LTO wilde dat de verplichte tussenperiode van zes maanden, na een serie van korte contracten, niet in het sociaal akkoord zou komen. In het seizoenswerk was er volgens hem niet mee te werken. Het kwam er toch in. „We zijn toen meteen met de vakbeweging aan de slag gegaan om dat in onze land- en tuinbouw-cao’s te veranderen en we zijn er nu bijna. Maar in de horeca en de recreatie is dat probleem nog steeds niet opgelost.”

Wetten moeten ‘uittrillen’

De meeste afspraken uit het sociaal akkoord staan nu in wetten. Van de wetten die er nog niet zijn, zoals die over meer rechten voor payroll-werknemers of het minimumloon, is het onzeker of ze er deze kabinetsperiode nog wel komen. Van de wetten die er wél zijn, is het nog lang niet zeker of ze werken zoals de bedoeling is. Ze moeten, zegt een betrokkene, nog „uittrillen”.

In het akkoord werden ook de ‘sectorplannen’ bedacht, als crisismaatregel: Rutte II had 600 miljoen euro beschikbaar om werk te behouden in sectoren of om personeel om te scholen. De vakbonden en werkgevers legden er zelf 600 miljoen euro bij.

Het resultaat is nog niet bekend, de laatste uitbetalingen lopen nog. Er is al wel veel kritiek geweest op het idee, omdat er bijvoorbeeld ook geld was om de werksfeer bij dakdekkers te verbeteren.

„In de perceptie ging het om echte ba- nen”, zegt Heerts. „Die verwachtingen zijn niet waargemaakt. Maar de opleidings- en ontwikkelingsfondsen van al die sectoren werken beter samen met de regio’s en veel mensen hebben zich kunnen bijscholen. Dat is mooi.”

Er zouden 30.000 beschutte werkplekken komen. Maar zulke plekken zijn er nog bijna niet

Waar Heerts en ook andere betrokkenen zorgen over hebben: werk voor gehandicapten. Er zouden 30.000 beschutte werkplekken komen voor mensen die echt niet in bedrijven aan het werk kunnen gaan. Maar zulke plekken zijn er nog bijna niet – ook al hebben de gemeenten er geld voor gekregen. En in de sociale werkplaatsen komen er geen werknemers meer bij. „Het lijkt nu op een kille sanering”, zegt Heerts.

In het vaste overleg van werkgevers en werknemers, in de Stichting van de Arbeid, wordt weer gepraat over de Wet werk en zekerheid – en de zorgen van vooral de kleine ondernemers. Maar voordat er iets verandert, wil Heerts eerst wel eens „concrete voorbeelden” zien van problemen en „feiten en cijfers”. Dat het ontslagrecht nog steeds ingewikkeld is voor werkgevers, vinden de vakbonden niet zomaar óók een punt.

En de mensen met losse contracten die vast werk zouden krijgen? De ziekenhuizen hebben nu in de cao afgesproken dat ze flexibele werknemers na een jaar in vaste dienst nemen. Maar Schiphol wil af van de vaste banen die laagbetaald zijn en in plaats daarvan losse contracten aanbieden.

Heerts: „Het is nog te vroeg om te zeggen dat de wet perfect is.”