Column

Een verbod op motorbendes moet er alleen komen, mits het ook echt iets toevoegt

Kan van een verbod van criminele motorbendes al gezegd worden dat die „noodzakelijk is in een democratische samenleving”? Bijvoorbeeld omdat een verbod „in het belang van de bescherming van de gezondheid of de openbare orde of de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen” is? De vraag is actueel na een vuurwapengevecht tussen motorbendes vorige week in een familierestaurant in Rotterdam. De confrontatie komt voort uit de forse groei van rivaliserende bendes die banden hebben met de wapen- en drugscriminaliteit, vooral in het zuiden.

De hoogste rechter liet in 2014 het criterium varen dat voor een verbod sprake moest zijn van ‘feitelijke ontwrichting’ van de samenleving. Het betrof toen nog de pedovereniging Martijn. Ook kwaad dat nog moet worden aangericht kan voldoende zijn om een verbod goed te keuren. In de rechtszaal dient verder te worden bewezen dat de ‘vereniging’ criminele bedoelingen heeft. En niet alleen de leden. Dat blijft juridisch nogal een hobbel. Weinig bestuurders zetten dat in hun statuten.

Politie en openbaar bestuur zitten niet stil. Er wordt opgetreden als deze clubs de horeca infiltreren of de beveiligingsbranche. Ook verwevenheid met voetbalhooligans wordt tegengegaan. Het vestigen van clubhuizen wordt gecontroleerd en tegengehouden, waar mogelijk. Evenementen worden niet gefaciliteerd.

De strafrechtelijke handhaving richt zich tot nu toe vooral op het individuele lid. Deelname aan een motorclub als criminele organisatie wordt daarbij ook wel ten laste gelegd. Dat is een apart delict, waar maximaal zes jaar cel op staat. Maar dat is nog altijd iets anders dan het ‘verbieden’ van de organisatie zélf. Dat komt neer op een blanco verbod om samen te komen, op clubkleding of zich als club te manifesteren.

In een vrije samenleving is dat een grote stap. Het Martijn-arrest laat zien dat de Hoge Raad bereid is om het recht op vrije vereniging in bijzondere omstandigheden in te perken, zelfs als de feitelijke ontwrichting nog niet plaatsvond. Dat sommige motorclubs de samenleving ontwrichten wordt door steeds meer feiten ondersteund. Zo’n verbod komt dus dichterbij.

Dat zou hoe dan ook een negatief precedent opleveren – en dus een aanknopingspunt voor een volgende inperking van het recht op vrije vereniging en vergadering.

De vraag is ook hoe effectief een ‘verenigingsverbod’ is. Ieder verbod kan immers worden ontdoken. Het zal bovendien van relatieve betekenis zijn voor groepen die zich bovengronds al laten voorstaan op het feit dat ze zich nergens aan houden. Dit kan gauw uitlopen op een symbolische strijd.