Recht & Onrecht

De Togacolumn: Advocaten moeten zich vragen stellen na de Panama Papers

Tien dagen geleden begon de pers met de publicatie van informatie uit de gelekte Panama Papers en sindsdien is het Panamese advocatenkantoor Mossack Fonseca (MFG) elke dag in het nieuws. De praktijken van de advocaten van MFG roepen op zijn minst gedragsrechtelijke vraagtekens op en inmiddels blijkt dat ook Nederlandse advocaten en notarissen mee hebben geholpen bij de oprichting van brievenbusfirma’s door MFG. Hoewel tot nu toe niet is gebleken dat de betrokken advocaten verwijtbaar hebben gehandeld, lijkt het goed stil te staan bij de rol en de verantwoordelijkheid van de advocatuur.

Dat een advocaat geen illegale of strafbare handelingen mag verrichten staat buiten kijf. Maar de vraag is of de verantwoordelijkheid van de advocaat verder reikt dan dat. Mag de advocaat simpelweg doen wat de cliënt vraagt, ook indien hij vreest dat de cliënt de (legale) juridische constructie zal misbruiken voor belastingontduiking of witwassen? Hoe ver gaat de onderzoeksplicht van de advocaat?

Deze vragen zijn ook los van de praktijken van MFG relevant, met name voor commerciële kantoren en advocaten in dienst van grote bedrijven. Vooral in de commerciële praktijk bestaat er immers het risico dat belangenbehartiging en partijdigheid – de basis voor elke dienstverlening van de advocaat - wordt gelijk gesteld met klantgerichtheid. De leidraad voor de advocaat is dan slechts nog: “U betaalt, wij draaien.“ En deze houding kan tot leiden tot gedragsrechtelijke problemen, waarbij de onafhankelijke positie van de advocaat in het gedrang kan komen. Want de advocaat mag weliswaar geen handelingen verrichten tegen de kennelijke wil van de cliënt maar anderzijds stellen de gedragsregels ook dat de advocaat de volledige verantwoordelijkheid draagt voor de behandeling van een zaak en dat de advocaat zich niet aan deze verantwoordelijkheid mag onttrekken met een beroep op de van de cliënt verkregen opdracht.

Sommige ontwikkelingen in de commerciële advocatuur kunnen inderdaad aanleiding zijn tot zorg. Zo waarschuwt bijvoorbeeld de Engelse hoogleraar Richard Moorhead al langer voor het risico van een beroepsethische leemte in de commerciële praktijk. En in de Verenigde Staten heeft de American Bar Association naar aanleiding van de rol van de advocatuur bij het Enron-debacle al in 2002 een commissie ingesteld die de verantwoordelijkheid van advocaten moest onderzoeken. Het eindrapport van de Task Force on Corporate Responsibility heeft een jaar later geleid tot nieuwe gedragsregels voor Amerikaanse advocaten en bedrijfsjuristen die de rol van de advocaat ingrijpend hebben veranderd. In de nieuwe regels werd onder meer vastgelegd dat de advocaat mede verantwoordelijk is voor de naleving van de corporate governance codes van het bedrijf.

Anders dan in Groot-Brittannië en in de Verenigde Staten ontbreekt het in Nederland tot nu toe aan een fundamentele discussie over de beroepscodes van de commerciële advocatuur. En deze discussie is hard nodig. In opdracht van de Nederlandse Orde van Advocaten onderzoekt de commissie Gedragsregels onder leiding van oud-deken Jan Loorbach op dit moment of de gedragsregels voor advocaten aan herziening toe zijn. Het lijkt me duidelijk dat de rol van de commerciële advocatuur hierbij een belangrijk thema dient te zijn.

De Togacolumn wordt afwisselend geschreven door een advocaat, rechter of officier van justitie. Britta Böhler is advocaat en hoogleraar advocatuur aan de Universiteit van Amsterdam.

Blogger

Britta Böhler

Britta Böhler studeerde rechten in Freiburg, waar ze ook promoveerde. Ze werkte aanvankelijk als advocaat in Duitsland en sinds begin jaren 90 in Nederland. Eerst bij Loeff Claeys Verbeke en daarna zelfstandig bij Böhler Advocaten. Ze was tot 2011 senator voor Groen Links. Ze schreef diverse boeken, waaronder 'Crisis in de rechtsstaat' en 'De Beslissing'. Britta Böhler is bijzonder hoogleraar advocatuur aan de Universiteit van Amsterdam.