Column

De seksonderzoeker

Het ongelofelijke verhaal van een voyeur die een motel kocht om zijn gasten te bespieden – Gay Talese, een van de beste reporters van Amerika, schreef het op en zal er op hoge leeftijd nog veel geld mee verdienen.

„Hoe wij ons gedragen als wij ons onbespied wanen, is kennelijk weinig hoopvol”, schreef Arnon Grunberg gisteren in zijn Volkskrant-column over de voorpublicatie in The New Yorker. Ik zocht het stuk meteen op, want Talese is geen fantast, maar een geboren verslaggever die altijd zo dicht mogelijk bij de feiten blijft, hoe bizar die soms ook zijn.

In dit geval gaat het om ene Gerald Foos, die eind jaren zestig bij Denver een motel begon om aan zijn seksuele gerief te komen. Zijn vrouw Donna wist ervan, zij keek af en toe mee vanaf de zolder waar Foos de kijkgaten had aangebracht. Daar hadden ze soms seks, nadat ze samen hadden gekeken, maar meestal zat Foos er in z’n eentje te loeren en te masturberen. Hij noemde zijn vrouw „geen voyeur, maar de toegewijde vrouw van een voyeur”.

Toen ze vele jaren later stierf, hertrouwde hij met een vrouw die, evenmin als Donna, problemen had met haar medeplichtigheid. Al die jaren, zijn hele beroepsleven lang, zette Foos zijn praktijken voort. Hij wist dat het niet deugde, maar had er een nobel alibi bij bedacht: hij beschouwde zichzelf als een seksonderzoeker in de traditie van Kinsey, Masters en Johnson.

Hij vond zijn bevindingen, die hij bijhield in dagboeken, zelfs waardevoller dan die van zijn ‘collega’s’, omdat zíjn proefpersonen zich niet bewust waren van de situatie – wat nog waar was ook. Hij zag de mensen zoals ze waren als ze hun dagelijks masker (en ondergoed) hadden afgelegd.

Wat hij zag en hoorde maakte hem vaak depressief: vernieling, diefstal, seksueel misbruik, zelfs een moord, kortom, alles wat doorgaans achter gesloten deuren blijft. Zijn notities, hoe treurig ook, werken soms onwillekeurig op de lachspieren.

Hij observeert een echtpaar, handelaren in stofzuigers, als ze vrijen met een derde, een vertegenwoordiger uit hun bedrijf. Zodra de seks achter de rug is, „bespreken ze de verkoopcijfers van stofzuigers”.

Op een dag houdt Foos een ‘eerlijkheidstest’. Hij zegt tegen zijn vrouw – zo luid dat de klanten het kunnen horen – dat er op een kamer een koffer met duizend dollar is achtergebleven. Vervolgens bespiedt hij vijftien klanten die deze kamer binnengaan; onder hen een hooggeplaatste militair, een predikant en een advocaat. Slechts één klant geeft de koffer met ongeopend slot terug, de predikant gooit hem in het struikgewas.

Soms kan de voyeur zich niet inhouden en roept ‘klootzak’ naar iemand die zich op de kamer misdraagt; de aangesprokene is verbijsterd, hij begrijpt niet waar die stem vandaan komt. Talese mocht een dagje komen meekijken. Hij observeert een vrijend paartje, maar laat daarbij per ongeluk zijn stropdas door het kijkgat bungelen. Foos weet hem nog net op tijd weg te trekken.

Foos lichtte Talese al in 1980 in, maar legde hem geheimhouding op. Nu hij 87 jaar is – drie jaar ouder dan Talese – treedt hij in de openbaarheid; Talese mag al zijn materiaal gebruiken voor een boek. In Amerika rijzen nu twijfels over Taleses journalistieke ethiek. Had hij Foos niet eerder moeten aangeven?

Talese koos voor zijn boek, niet voor zijn beroepseer.