De (on)maakbaarheid van topinkomens in de publieke sector

Topinkomens Maandag begon minister Plasterk (Binnenlandse Zaken) de consultatie over de wet die topinkomens bij de (semi-) overheid verder aan banden moet leggen. De huidige wet werkt wel, maar hij kraakt en heeft ook negatieve effecten.

Illustratie Martien ter Veen

Het is politiek. Het is de maakbare samenleving. En ook niet geheel vrij van populisme.

Stop de ‘zakkenvullers’, om te beginnen bij de overheid en bij andere organisaties die (in belangrijke mate) gefinancierd worden door belastingen en verplichte premieheffingen of die hun vermogens aan het publieke domein te danken hebben.

Van ministers tot ziekenhuisbestuurders, van woningcorporatiebazen tot publieke omroepdirecteuren. Maar het blijkt lastig, heel lastig, om in zo veel verschillende bedrijfstakken en voor zo veel functies beheerste beloningspolitiek te voeren.

Maandagavond opende minister Ronald Plasterk (Binnenlandse Zaken, PvdA) de consultatie voor een verdere beperking van de uitzonderingen die de huidige wet nog biedt. Er ligt een nieuw conceptwetsontwerp. Het gaat om de WNT, de Wet normering topinkomens. Dat was de opvolger van de Wet openbaarmaking publieke topinkomens (WOPT). Uit die WOPT kon je de zogeheten balkenendenorm afleiden, het maximum voor topmensen in publieke dienst.

In het bedrijfsleven spelen vergelijkbare argumenten een rol: hoeveel is redelijk? Hoeveel is genoeg? En hoeveel is klasse aan de top eigenlijk waard? Maar in het bedrijfsleven is geen concreet maximum. Daar regeert ‘de markt’, een vaag begrip van vraag en aanbod. En dat leidt gemakkelijk tot excessen zonder redelijke verklaring.

Wet op wet op wet

Dit jaar is het maximum in de WNT: 179.000 euro. Plus pensioenpremies.

Twee getallen: in 2014 rapporteerden 5.789 organisaties hun beloningen volgens de meldplicht in de WNT. Dat ging om 32.886 ‘topfunctionarissen’.

Het blijkt steeds weer een lastige wet. Om na te leven. Om te maken.

De politieke beraadslagingen over de Wet normering topinkomens werden in 2012 afgerond en de wet geldt, met een overgangsregeling voor bestaande ‘gevallen’ die volgens de nieuwe wet te veel verdienen, sinds 1 januari 2013.

Maar wat daarna gebeurde…

De oorspronkelijke wet werd gevolgd door achtereenvolgens de Aanpassingswet WNT, de Reparatiewet WNT en de Wet verlaging bezoldigingsmaximum WNT.

De wet bestaat nu dus ruim drie jaar, is gevolgd door drie nieuwe wetsaanpassingen en de volgende staan alweer op stapel. Er komt ook nog een aanpassing van de wet die geënt is op een evaluatie uit 2015.

En dan zijn er ook binnen sectoren, zoals onderwijs en woningcorporaties, nog weer aparte normen die afgeleid zijn van de omvang van individuele organisaties. Hoe groter, hoe hoger de beloningen binnen de wettelijke maxima mogen zijn.

De wet en de uitleg van de subtiele nuances daarin vormen een paradijs voor beloningsadviseurs, juristen en accountants.

Werkt de wet?

Ja, hij werkt. De normering voorkomt dat bij nieuwe benoemingen of bij herbenoemingen „bovenmatige bezoldigingen worden afgesproken”, schrijft minister Plasterk in de toelichting op de consultatie. Gezien het feit dat het hier om wetgeving gaat die adequaat controleerbaar is, is dat geen verbluffende prestatie. Duidelijk is ook dat openbaarmaking van topinkomens alléén geen matigende werking heeft. Dat was bij de eerdere Wet openbaarmaking publieke topinkomens nog wel de verwachting. Dat openheid tot discussie zou leiden, tot klachten van personeel en medezeggenschapsorganen, en tot beheerste of lagere beloningen. Niet dus.

Wat kraakt daar?

De wet heeft schaduwkanten. Het zogeheten loongebouw kraakt her en der, doordat de beloning aan de top is gemaximeerd en doorstroming naar meer verantwoordelijkheden en meer salaris op deze manier wordt gehinderd. Niet iedereen kan immers een topbeloning krijgen. Plasterk schaart dit in de categorie ‘neveneffecten’ en noemt dat „tegenstrijdigheden in de top van het loongebouw”. Dat is wel het gevolg van jaren kabinetsbeleid.

De oorspronkelijke blauwdruk voor publieke topbeloningen van een commissie onder leiding van voormalig VVD-minister Hans Dijkstal voorzag in een verhoging van de ministerssalarissen met 50 procent. Dat heeft geen kabinet gedurfd. Bang voor boegeroep. Zakkenvullers!

Het dak van het loongebouw is nooit verhoogd

Nog een minpunt. Een van de gevolgen van de wet is dat de vrijheid van collectieve loononderhandelingen tussen werkgevers en werknemers bij de (semi-)overheid ernstig wordt beperkt. Dat komt doordat de beloning van gewone werknemers indirect ook wordt genormeerd. Een vervelend punt voor de vakbonden. Bovendien wordt de concurrentiepositie van de overheid op de arbeidsmarkt zwakker: het is moeilijker ervaren of schaarse specialisten te behouden of aan te trekken.

Een nieuwtje in de consultatie is dat minister Plasterk soepeler wil worden bij beloning met bonussen. Het eerdere bonusverbod, dat overigens uitzonderingen kende, wordt weer afgeschaft. Bonussen mogen straks, zolang de wettelijke beloningsnorm niet wordt overschreden.

De vernieuwde WNT moet een eind maken aan de mazen in de wet. Gewone werknemers kunnen geen topbeloningen meer krijgen. Zoals tv-presentatoren bij de publieke omroep. Maar toch zijn straks, net als nu al bij bestuurders, uitzonderingen mogelijk „indien bijzondere arbeidsmarktomstandigheden daartoe aanleiding geven.” Plasterk omschreef deze groep vorig jaar als „topwetenschappers, chef-dirigenten, luchtverkeersleiders, actuarissen, econometristen, klinisch fysici, klinisch chemici, of solisten bij opera en dans.”

Benieuwd hoe de discussie in de ministerraad verloopt als de eerste normoverschrijdende beloningen op de agenda staan.