De klank van de Wiener blijft uniek in zijn warme, diepe fluweligheid

Orkesten worden internationaler, dus eenvormiger van klank. Het is een veelgehoorde klacht die deels waar is, deels te nuanceren: een orkest past zich ook aan aan de (unieke) eigen zaal. En voor sommige orkesten is het zelfs helemaal niet waar. Drie akkoorden volstonden gisteren voor de sensatie die de Wiener Philharmoniker exclusief meebrengen: lage strijkers die resoneren in je onderrug, violen die écht anders (met opulenter vibrato) spelen, een bruinfluwelen pizzicatoklank, discrete bekkens (dat kan dus), een klarinetsolist (Daniel Ottensamer) om van te smelten en ga zo maar door.

Het orkest, in 2014 voor het laatst hier, werd door dirigent Gustavo Dudamel voorgegaan in een curieus maar weloverwogen drieluik stukken geïnspireerd door schilderijen. Rachmaninoffs Dodeneiland (naar Böcklin) was gekoppeld aan Regers Tondichtungen naar vier schilderijen van Böcklin – waaronder datzelfde Dodeneiland. Voordeel van zo’n programma: Dudamel kon zich richten op sfeer en kleur, en daarin is hij sterk. In Regers sfeerstukken woelden duistere golven op – prachtig van strijkerssamenklank in Der geigende Eremit met solo van concertmeester Albena Danailova (onder de 90 Philharmoniker waren 13 vrouwen). Moessorgski’s Schilderijententoonstelling , canonstuk dat je te vaak hoort omdat instrumentgroepen er zo fraai hun eigenheid in kunnen etaleren, excelleerde in uitersten: van een zeldzaam speels kuikentjesballet tot gebeuk op de poort van Kiev om doodsbang van te worden.