Bedankt voor de bloemen

De Nederlandse bloemstillevens in de National Gallery in Londen laten ook iets zien over de Nederlandse geschiedenis. Ananassen waren ooit een rage.

'Bloemen in een vaas' van Rachel Ruysch (circa 1685)

Bloemenkenners – en die waren er veel op de openingsdag – zien onmiddellijk dat er iets mis is met de Dutch Flowers in de National Gallery in Londen. Narcissen en hondsroos in één boeket. Een dieprode tulp en kievietsbloem met een uitbundig bloeiende roze roos. Vroege lente en midzomer dus. Of een ananas pontificaal als bovenste ‘bloem’. Een echt bloemstuk was allang ingezakt onder het gewicht.

De 22 schilderijen die de National Gallery laat zien, deels uit eigen collectie, deels in bruikleen van particulieren en zelden getoond, zijn dan ook illusies, geen letterlijke weergaven van bloemstukken. De bloemen zijn realistisch, plantkundig zijn de schikkingen onmogelijk. Dat doet er geenszins toe: dit zijn Hollandse stillevens op hun mooist.

Het zijn schilderijen waar je met je neus bovenop moet staan. Alleen dan zie je de buts in een druif bij Paulus Theodorus van Brussels Bloemen en vruchten (1789), het muisje in Vruchten, bloemen en vis (1772) van Jan van Os, de zo akelig afgevende stampers van een lelie in Ambrosius Bosschaert de Oudes Een stilleven van bloemen in een Wan-Li kraakporseleinen vaas op een richel (1609), of de Hollandse wolkenlucht gereflecteerd in de glazen vaas die Jan Davidsz. de Heem schilderde rond 1670. De laatste is bijna een miniatuurtje in het stilleven.

De bloemen zijn met precisie geschilderd. Bij De Heem zijn zelfs hun stelen in het water levensecht, de aalbessen zijn bijna te eten. Alleen zijn zonnebloem is minder goed gelukt. Maar wie daarvan het mooiste voorbeeld wil zien, kan een paar zalen verderop Vincent van Goghs Zonnebloemen (1888) bewonderen.

De Nederlandse bloemschilderkunst ontwikkelde zich als gevolg van een groeiende interesse in plantkunde en tuinieren, en met name begin zeventiende eeuw in tulpen. Bollen werden evenveel waard als Amsterdamse grachtenpanden. Geen wonder dat de tulp bij Bosschaert, Jan Brueghel de Oude en Roelant Savery als pronkstuk op schilderijen verscheen – tot de markt in 1637 spectaculair inklapte, en de tulpengekte afkoelde.

Vazen vol overdadige weelderigheid

Latere werken, onder meer van Van Os en De Heem, laten laat achttiende-eeuwse rages zien: ananassen en dahlia’s, beide toen voor het eerst met succes in Europa gekweekt. De stillevens hebben in vergelijking met een eeuw eerder dimensie gekregen. De platte symmetrische bloemschikkingen in eenvoudige vazen zijn werken met diepte en beweging geworden, de vazen gevuld met overdadige weelderigheid, en op de achtergrond staan Romeinse pilaren.

Het meest indrukwekkend zijn de twee schilderijen van Rachel Ruysch, (1664-1750), een zeldzame vrouwelijke Hollandse meester. Haar boeketten zijn speels, en laten tegelijk zien dat de maker echt verstand had van bloemen. Haar vader was hoofd van de Hortus Botanicus in Amsterdam, en stuurde haar op vijftienjarige leeftijd in de leer bij de vooraanstaande stillevenschilder Willem van Aelst. Ruysch’ pioenen staan op het punt van opengaan, de kamperfoelie valt net over de rand van de tafel.

Behalve esthetisch zijn de 22 schilderijen ook interessant om hun symboliek. Subtiel bij sommigen: Osaias Beert the Elder laat met wat gevallen bloemblaadjes vergankelijkheid zien, Dirck de Bray zegt het met een helsblauwe dagbloem. Overduidelijk bij Balthasar van der Alst. Aan de voet van een vaas waarschuwt hij dat schoonheid zal verdwijnen: ‘Let op: godts woord alleen welck eeuwich bloeyen’.