Met alleen blanke wijkagenten redden we het niet tegen terreur

De wijkagent zou bij ons ‘in de haarvaten van de samenleving’ zitten en terreur moeilijk maken. Maar Guus Meershoek denkt daar toch wat anders over. Hij pleit voor meer allochtone politiemensen.

Wijkagenten in Valkenburg.

De aanslagen gevolgd door de arrestaties in Brussel stellen ons opnieuw voor de vraag hoe terroristisch geweld te pareren. De afgelopen tijd zijn de wijkagenten de hemel in geprezen. Zo ook door de minister van Veiligheid en Justitie, bij de beëdiging van de nieuwe korpschef van de Nationale Politie.

Anders dan in het buitenland zouden bij ons wijkagenten zich – eindeloos herhaald cliché – ‘in de haarvaten van de samenleving’ bewegen. Het is een bezweringsformule die eerder met succes publieke onrust de kop heeft ingedrukt. Ik ken heel wat wijkagenten, mijn waardering voor hun werk is groot. Maar ze zijn geen afdoend medicijn tegen radicaliserende jongeren.

Een indicatie hoe het gesteld is met het contact tussen politie en allochtone jongeren biedt een debat over etnisch profileren door de Nederlandse politie in De Balie.

Rapper en docent Gideon Everduim zette het probleem scherp neer door te vertellen hoe sommige jongens zich gekleineerd voelen door de politie. In zijn ogen was er sprake van institutioneel racisme.

Politiechef Pieter Jaap Aalbersberg sprak dat met klem tegen. Hij erkende ruiterlijk dat in politieoptreden het gevaar van discriminatie voortdurend op de loer ligt en legde uit hoe dat in zijn korps wordt tegengegaan. Hij kon Everduim niet overtuigen.

Een begin van een diagnose biedt het prachtige (maar feitelijk helaas niet geheel correcte) essay Shooting an elephant van George Orwell. Hij vertelt hoe hij als politieman in de Britse kolonie Birma een dolle olifant moest doden. Toen hij het dier eenmaal aantrof, bleek het echter heel vreedzaam. Loos alarm; doodschieten was onnodig.

Orwell deed het toch en wel omdat zich inmiddels een grote groep inheemse toeschouwers had verzameld. Hij vreesde gezichtsverlies en dat kon het overwicht van het koloniale bestuur aan het wankelen brengen.

In plaats van elementair wederzijds vertrouwen, zoals in West-Europa, maakten angst en wantrouwen voor Orwell de kern van koloniaal politiewerk uit.

Angst bij de kolonisator, voortkomend uit de onmogelijkheid om vertrouwelijk contact te leggen met de inheemse bevolking, vaak resulterend in excessief geweld.

Ik schrok toen ik voor me vrijwel allemaal blanke jongens en meisjes zag.

Wantrouwen bij de bevolking, tot uiting komend in verdekt verzet zoals het bespuwen van vrouwen, het jennen van minderheden met een bevoorrechte positie of vernielzucht. Voor politieman Orwell was moed niet toereikend om een redelijke daad te stellen.

In goed politieoptreden gaan moed en behoud van gezicht juist samen. Een voorbeeld vormt een actie van de Amsterdamse hoofdcommissaris Joop van Riessen.

Op 6 augustus 2003 had bij het beslechten van een hoofdstedelijke caféruzie een politieman uit noodweer een Marokkaan doodgeschoten. Over hoe de laatste om het leven was gekomen, was volop discussie.

Een dag later verzamelde zich een rouwende menigte op het Mercatorplein. Van Riessen besloot erheen te gaan en, nadat anderen hadden gesproken, ook zelf het publiek toe te spreken. Wat Orwell in zijn situatie niet waagde, deed Van Riessen wel. De moed en intuïtie die dat vergde, droegen bij aan de goede uitkomst. Ze verschaften de politie respect; een gezicht. Na zijn toespraak ging men vreedzaam uiteen.

Ik moest hieraan denken toen ik onlangs les gaf aan een nieuwe lichting jonge politiemensen, het merendeel bestemd voor politiewerk in een van onze grootste steden.

Zulke nieuwkomers zijn enorm gemotiveerd. Zij willen mensen helpen, hebben met succes een zware selectie doorstaan en popelen om aan de slag te gaan. Maar ik schrok toen ik voor me vrijwel allemaal blanke jongens en meisjes zag.

Ik twijfelde niet dat hun met succes alle vaardigheden van een fatsoenlijke politieman of vrouw worden bijgebracht. Maar ik vroeg me ook af hoe ze zich zullen houden als ze een van onze achterstandsbuurten betreden, waar ze vanwege hun huidskleur met vreemde ogen worden bekeken.

Goed politiewerk – een helpende hand in noodsituaties, het stoppen van escalerende ruzies – kan van grote betekenis zijn.

Onze wijkagenten zijn daartoe toegerust. Maar omstandigheden kunnen maken dat moed niet meer toereikend is met gezag te interveniëren; dat ook van goed opgeleid politiepersoneel te veel wordt gevergd. Sociale segregatie is zo’n omstandigheid, verschil in etnische achtergrond is dat ook.

Meer allochtone politiemensen, zoals Ahmed Marcouch onlangs bepleitte, zijn zeker nodig, maar zij moeten ook goed worden opgevangen en geïntegreerd. Dat is inmiddels niet meer alleen een kwestie van artikel 4 van de grondwet maar ook van behoud van bestuurskracht.