De kwestie: poldersterven is in de mode

De kwestie: In een nieuwe maandelijks rubriek belichten we trends in de hedendaagse literatuur. In de eerste editie: poldersterven.

Literatuur gaat over liefde, leven en dood. Dat is wellicht wat kort door de bocht, maar veel spelden zijn er niet tussen te krijgen. Wie naar de recente oogst boeken kijkt en weet dat De val van mijn moeder van Ernst Timmer werd uitgeroepen tot DWDD-boek van de maand, vermoedt dat de behoefte aan boeken over ziekte en aftakeling alleen maar toeneemt. Dan gaat het niet zozeer om de gezond & fit boeken, maar meer om (autobiografische) verhalen over dementie, psychische stoornissen of kanker.

Om een kleine greep redelijk recente ziekteverhalen naast dat van Timmer op een rij te zetten: Hugo Borst over de dementie van zijn moeder met Ma; Pia de Jong over haar dochter in Charlotte; Ingeborg van Beek met Levenshaast. Leven met een hersentumor en de deze week verschenen roman van Martje van der Brug, Wat doen we met moeder. Bij alle is de scheidslijn tussen ziekte en verbeelding tamelijk klein, in die zin dat het proces rondom de ziekte en de aftakeling nogal nauwkeurig wordt omschreven. Zo staat er in Wat doen we met moeder: ‘Mama had een luier om en er zat een bandje met haar naam en nummer om de smalle pols. Verder was ze naakt, dat was praktischer vanwege de vele slangetjes die haar lijf in- en uitgingen. Alsof ze een couveusekind was.’ In Levenshaast is de rol van medicatie overduidelijk aanwezig: ‘Groot glas water, een grote pil Keppra wegslikken, nog een paar slokken en dan de drie kleine Carbamazepinepilletjes, Slok.’

Wat betekent het voor de verbeelding van (de aanloop naar) de dood wanneer alles steeds nadrukkelijker wordt omschreven: van lichamelijke processen, CT-scans tot en met het invullen van de zorgformulieren? Wordt die juist gestimuleerd zoals Yann Martel laatst in deze krant stelde, omdat we geneigd zijn de dood te ontkennen en er altijd maar een verklaring voor te willen zoeken? Of wordt de dood in romans een ontledingsproces zoals in tv-series als Silent Witness, en wordt ze van haar geheimen ontdaan en daarmee uiteindelijk van de verhalen eromheen?

Moeders

De dood is een meester uit Duitsland, de dood is een ontroering, de dood is een transformatie, de dood is het vertrek van de ziel uit het lichaam – schrijvers hebben door de eeuwen heen op vele manieren geprobeerd vat te krijgen op de dood. Frederik van Eeden deed dat in Pauls ontwaken, Leopold in gedichten over openslaande ogen als iemand dood zal zijn. De antwoorden hadden vrijwel altijd iets spiritueels. Maar de spirituele weg heeft Nederland verlaten, zo blijkt uit recent onderzoek: nog geen één op de drie mensen heeft ‘iets’ met spiritualiteit en minder dan 15 procent noemt zich gelovig. We speculeren niet meer over wat de dood betekent, maar gaan kijken hoe de dood er precies uitziet.

In oorlogsromans of detectives wordt de dood iets zakelijks: er is een duidelijke verklaring waarom iemand doodgaat, daar zit de verbeelding in het proces eromheen. Maar een historische verklaring, of een wetenschappelijke die uit de snijkamers komt, laat weinig ruimte over voor het invoelen van wat het betekent om dood te gaan. Waar spiritualiteit en wetenschap het laten afweten, ontstaat ruimte voor de verbeelding, maar die weet zich nauwelijks raad met dit onderwerp, zweverigheid ligt immers al snel op de loer.

Met zoveel details heb je geen inbeelding meer nodig

Het alternatief is een minutieuze beschrijving van het aftakelingsproces. Timmer doet dat door een roman in ‘60 brokstukken’ te schrijven en begint met zijn moeder die haar arm breekt, maar ook steeds verder geestelijk wordt opgegeven. Eerst belandt ze in een ziekenhuis waar ze een week wachten met het opereren van haar arm. Ze krijgt een sensor bij haar bed omdat ze ’s nachts aan de wandel gaat. Na de operatie heeft ze

cover
een gepinde arm die ‘helemaal blauw [wordt] tot aan haar vingerkoten en haar onderarm was ook lelijk opgezet, als van een opblaaspop’. Het is een sympathiek verhaal, van een betrokken zoon die worstelt met zorgleveranciers, verpleegtehuizen, formulieren en net als bij Wat doen we met moeder belandt ook hier de moeder in een luier en komen er vele medicaties langs.

Met zoveel details heb je geen inbeelding meer nodig. En toch spreekt zo’n boek kennelijk tot de verbeelding, getuige ook de wat literaire verwerking van de laatste periode van een ouder bij Tom Lanoye, Erwin Mortier, Adriaan van Dis, Nico Dijkshoorn en J.J. Voskuil. Allemaal, op Dijkshoorn na, schrijven deze mannen over hun moeder zonder mystificatie. Ze willen de dood niet verfraaien, maar eerlijk beschrijven, en in een enkel geval aanvaarden in wat voor een schrijver de ergste consequentie is: het verlies van leven is onontkoombaar gekoppeld aan het verlies aan taal. Mortiers coherente zinnen zijn in Gestameld liedboek een oorlogsverklaring aan het verval: ‘Ik merk dat ik alleen schrijf om zinnen zonder haperingen door mijn kop te horen dansen.’

Metaforen

Vorige maand verscheen van de Amerikaanse essayist Katie Roiphe een boek over het stervensuur van beroemde schrijvers en ook zij beschreef aftakeling, bezinning en verstilling zonder een groot beroep op de verbeelding te doen. Roiphe schaart zich daarbij achter Susan Sontag, die zich in haar beroemde essays over ziekte als metafoor (Illness as Metaphor en Aids and its Metaphors) keerde tégen de letterlijke verbeelding van ziekte.

Het is inderdaad gevaarlijk om ziekte in metaforische termen te beschrijven: het onzinnige ‘vechten tegen’ ziektes als kanker of ALS is daarvan een sterk voorbeeld. Er valt niet te vechten, maar in het beste geval te berusten, en in het geval van die schrijvers: te beschrijven.

Maar is dat dan het failliet van de verbeelding? En wat voegen deze boeken toe aan de werkelijkheid? Wellicht is het niet zozeer de gedetailleerdheid van schrijven die

9780141187129
de nekslag van de verbeelding kan zijn, maar is het de ziekte zelf. In de 19de eeuw waren er genoeg aandoeningen en martelende ziektes waaraan een soort aura van heldhaftigheid werd gekoppeld. Vroeg doodgaan was zelfs een tijdje het toppunt van romantiek. Daar is inmiddels geen sprake meer van, maar bij de verbeelding als sleutelbegrip voor de dood door haar zo plastisch mogelijk te beschrijven is wel weer het andere uiterste.

Het kan ook anders: Martel zocht de verbeelding van de dood in een autopsieruimte, maar zorgde er wel voor dat er een aap uit de buik werd gehaald in plaats van een tumor. Zijn magisch realisme vindt weinig weerklank in Nederland. Als we hier de aanloop naar de dood verbeelden dan gebeurt dat door liefdevolle zoons, die menselijk zijn, maar toch ook beheerst.

De verbeelding van de dood is kortom geen zaak van heldendom meer, idiote theorieën over het gevecht ertegen zijn ook verdwenen uit de literatuur. Wat wij hier hebben is de polderemotie: aards en nuchter omgaan met verlies. Poldersterven als het ware: met je nuchtere poten in de klei, met oog voor details maar weinig verbeelding. De dood is geen meester uit Duitsland, de dood is geen ontroering. De dood is iets waar je doorheen moet, op weg naar het oneindige – of naar het niets.

Ziet u een trend in boekenland? Mail ons op boeken@nrc.nl

Toef Jaeger zit op Twitter