We hebben een minister van Voedsel nodig

Opinie

Iedereen ziet de noodzaak van een beter voedselsysteem, maar toch kiezen we in de supermarkt steeds voor de plofkip. Maak nu eens werk van voedselbeleid, stelt Herman Lelieveldt.

Foto iStock

Hoe komt het toch dat ieder weldenkend mens weet dat ons voedselsysteem op de helling moet, maar er niets wezenlijks verandert? Door de afschaffing van de melkquota stromen de gierputten over, maar de Tweede Kamer maakt zich vooral druk over kalfjes die van hun moeder worden weggehaald. Terwijl het percentage Nederlanders met overgewicht gestaag groeit en nu boven de 50 procent ligt, sluit minister Schippers een convenant met de voedingsindustrie vol boterzachte afspraken over de vermindering van vet, suiker en zout in ons eten.

Bedrijven, burgers en de overheid: allemaal hebben ze last van de voedselparadox. Ze willen allemaal een beter voedselsysteem, maar op de korte termijn lukt het geen van hen over de eigen schaduw heen te springen. De verduurzaming via de markt vlot niet, want de voedselsector is zo prijsgedreven dat geen onderneming het aandurft echt ver voor de concurrentie uit te lopen. Dat verklaart waarom ondanks de langdurige plofkipcampagne van Wakker Dier, we nog steeds overal slechte kip kunnen kopen.

Maar ook de burger zit vast in de voedselparadox. De meesten bekommeren zich thuis nog wel om dierenleed en eerlijke handel, maar veranderen in de supermarkt toch steeds weer in koopjesjagers die zwichten voor de kiloknaller en die het wel geloven met al die fairtrade-labels.

De overheid tenslotte is door de voortgaande globalisering en internationalisering steeds minder in staat om burgers en bedrijven de goede kant op te duwen. Een verbod op de verkoop van kiloknallers? Mag niet van de EU, want in strijd met de interne markt. En zo wijst de politiek weer naar de verantwoordelijkheid van de markt en de burger en is de vicieuze cirkel rond.

Toch moeten we kanttekeningen plaatsen bij deze door Den Haag geuite onmacht. Nederland bouwde na de oorlog een voedselsysteem op dat terecht de hoogste prioriteit gaf aan het weer op gang krijgen van de landbouwproductie en het zo goed mogelijk voeden van de eigen bevolking. Hierdoor hebben de belangen van de producenten zich in het hart van de politieke besluitvorming genesteld. De meest aanschouwelijke manier om dat te laten zien is de barbecue die ieder jaar ter afsluiting van het politieke seizoen plaatsvindt op het Binnenhof. Al 38 jaar biedt de Nederlandse vlees- en pluimveesector deze barbecue aan, terwijl de verzamelde drankindustrie voor frisdrank, bier en wijn zorgt.

Maar dat de voedselproducenten nog steeds goede toegang hebben tot Den Haag, is ook goed nieuws. Het laat ons namelijk zien dat Den Haag lang niet zo machteloos is op het gebied van voedselbeleid als het vaak zelf zegt.

Dat de problemen rondom ons voedsel groot zijn, blijkt uit een gestage stroom rapporten die de afgelopen jaren verschenen. Daaronder een belangwekkende studie van de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid, die ervoor pleit om van een landbouwbeleid naar een ‘voedselbeleid’ te gaan.

Hoe zouden we in dit nieuwe voedselbeleid bijvoorbeeld onze overconsumptie van suiker te lijf kunnen gaan? Daarvoor hoeven we alleen maar het kanaal over te steken en ons te laten inspireren door de conservatief David Cameron, die vanaf 2018 een sodatax invoert. Dat zo’n tax effect heeft, zien we in Mexico, waar de verkoop van frisdranken met 12 procent zakte nadat de prijzen ervan met 10 procent gestegen waren. In Nederland ging de accijns op frisdrank weliswaar omhoog, maar is die nog steeds maar een schamele 3 cent per blikje, veel te laag om enig effect te hebben. Bovendien trok de regering de tarieven voor alle dranken gelijk, zodat het prijsverschil tussen een flesje mineraalwater en een colaatje juist kleiner werd.

Wie kijkt naar de baaierd aan problemen met ons voedsel moet ook nadenken over een meer structurele manier om voedsel op de politieke agenda te houden. Het is daarom hoog tijd voor een bewindspersoon die de voedselproblemen integraal aanpakt. Grootscheepse reorganisaties van ministeries zijn daarvoor niet nodig, maar we moeten wel iemand hebben die zaken in de Trêveszaal kan agenderen en collega-ministers op het spoor van een duurzaam voedselbeleid kan zetten. Daarvoor is het nodig dat de staatssecretaris van Landbouw plaatsmaakt voor een minister voor Voedsel – eerder al voorgesteld door Natuur&Milieu – die net als de vroegere minister van Grotestedenbeleid een integrale hervorming van ons voedselsysteem kan doorvoeren.

Er is in ieder geval één maatregel die onze nieuwe minister van Voedsel direct kan nemen. Schaf de door de sector betaalde barbecue af en maak er een foodtruckfestival van, via een transparante aanbesteding waarin duurzaamheid voorop staat. Immers alleen als de politiek zelf het goede voorbeeld geeft en zich niet laat fêteren door de voedselproducenten, is het in staat het voortouw te nemen bij de verduurzaming van ons voedsel.