‘Trauma? Trauma? Het hele leven is een trauma’

Cumhur Öner (59) is orthopedisch chirurg en hoogleraar in Utrecht. In de jaren tachtig vluchtte hij naar Nederland, na bijna drie jaar gevangenschap in Turkije. ‘Het was niet zo dat mijn arrestatie als een verrassing kwam.’

Cumhur Öner (59) is orthopedisch chirurg en hoogleraar, in het UMC Utrecht, wat een wonder is als je bedenkt welke wending zijn leven nam toen hij net begonnen was aan zijn opleiding tot medisch specialist. Hij was 24 en woonde in Ankara in een studentenhuis, met een paar vrienden, maar die waren er niet toen er midden in de nacht werd aangebeld en de politie binnenviel, bijgestaan door zwaarbewapende militairen. „Gelukkig”, zegt hij, „was mijn vriendin er die nacht ook niet.”

Hij werd meegenomen en opgesloten, eerst langdurig in een isoleercel, daarna in een soort concentratiekamp – zo noemt hij het – voor politieke gevangenen. Op 12 september 1980 was er in Turkije een militaire staatsgreep geweest en iedereen die er openlijk ‘linkse sympathieën’ op nahield, liep gevaar: 650.000 mensen werden opgepakt, 7.000 van hen hoorden de doodstraf tegen zich eisen. „Het was dus niet zo”, zegt Öner, „dat mijn arrestatie als een verrassing kwam.”

Zijn misdaad was dat hij medische zorg had verleend aan mensen die bij rellen tegen het regime gewond waren geraakt. In de gewone ziekenhuizen konden ze niet terecht.

De eerste weken wisten zijn ouders niet waar hij was en of hij nog leefde. „Het was een onzekere periode”, zegt hij, op een toon alsof hij op de uitslag van een tentamen had gewacht. „Er waren gevangenen die werden doodgeschoten. Of die doodgingen.” Doodgingen? „Door de martelingen bij de verhoren.” Werd hij ook gemarteld? „Ja.”

Na twee en een half jaar kwam hij vrij, onder andere door de inspanningen van Amnesty International, maar werken mocht hij niet en doorgaan met zijn opleiding ook niet. Elke keer als hij het probeerde, kwam de politie ’s nachts huiszoeking doen. „Het was pesten.” Toen hij van zijn vader, een gepensioneerde ambtenaar, hoorde dat hij opnieuw gearresteerd zou worden, besloot hij Turkije te ontvluchten, samen met zijn vriendin, die inmiddels zijn vrouw was geworden. Ze waren in de gevangenis getrouwd, anders mocht ze hem niet bezoeken.

Het werd toevallig Nederland. Voor de Binnenlandse Veiligheidsdienst – die behandelde zijn asielaanvraag – was zijn geval een abc’tje. Geen vluchtelingenstromen toen nog, en over de islam had niemand het. Daarbij was Öner niet islamitisch opgevoed. „Je kunt het je nu niet meer voorstellen”, zegt hij, „maar in mijn jeugd werd de islam door de stedelijke elite in Turkije gezien als de oorzaak van de achterlijkheid van het land.”

Hij studeerde opnieuw af als arts en in 1987 kon hij in het Dijkzigt Ziekenhuis in Rotterdam, nu het Erasmus MC, in opleiding komen tot orthopedisch chirurg. Hij kreeg een zoon. Hij werd Nederlander. En zijn huwelijk? „Dat is door alles wat we hebben meegemaakt alleen maar beter geworden.”

Nu de vraag wat het met hem gedaan heeft. „Je bedoelt of ik er een trauma aan heb overgehouden?” Hij lacht. Typisch voor deze tijd, zo’n vraag. Voor iemand uit het vreedzame deel van de wereld. „Natuurlijk hou je er een trauma aan over. Het leven is een aaneenschakeling van trauma’s.” Hij lacht nog wat harder. „Trauma? Trauma? Het leven is één groot trauma.”

‘In mijn jeugd zag de elite de de islam als oorzaak van de achterlijkheid van Turkije’

De vraag hoe zijn gevangenschap en zijn vlucht hem bepaald hebben, lacht hij ook eerst weg, maar dan wordt hij weer serieus en begint hij over de presocratische filosofen, in het bijzonder Heraclitus van Efeze, die zei dat niets ooit ís. Alles beweegt en alles verandert, zonder doel, in een continue flow, panta rhei. „Als je zo naar het bestaan kijkt, kun je wat relaxter omgaan met jezelf en je zekerheden.” Ja, hij heeft veel gelezen en veel nagedacht toen hij in de gevangenis zat.

Cumhur Öner, de man die al zijn vastigheid was kwijtgeraakt, zegt dat hij geen nieuwe vastigheid meer zoekt. Sterker: het zoeken naar vastigheid is volgens hem de bron van ellende in de wereld. Vastigheid in de zin van ideologie, geloof, bezit, status, grenzen. En met die houding kijkt hij ook naar de orthopedische chirurgie, of preciezer, de spinale chirurgie, want hij heeft zich gespecialiseerd in de wervelkolom, waarvoor hij samenwerkt met traumatologen en neurochirurgen. De grenzen tussen die vakken doen er voor hem ook niet toe.

In een wereld die voortdurend verandert, zegt hij, verandert zijn vak ook voortdurend. Tien jaar geleden zag hij andere patiënten dan nu, en over tien jaar zullen ze weer anders zijn.

„We zien bijvoorbeeld een groeiende groep kankerpatiënten met metastasen [uitzaaiingen] in de wervelkolom. Oncologen zijn zo succesvol dat hun patiënten langer leven, maar die krijgen dus wel metastasen, en na de longen is de wervelkolom een voorkeursplek. Er ontstaat een breuk, dat kan een dwarslaesie worden, en wat doe je dan? Dat is wel confronterend. Iemand die nog een half jaar te leven heeft, of drie maanden, ga je die opereren?”

Wat hij vroeger nooit zag en nu wel: oude mensen, vooral mannen, met een verstijfde wervelkolom, veroorzaakt door diabetes, zwaarlijvigheid en een leven lang zitten. DISH heet die ziekte. Diffuse Idiopathic Skeletal Hyperostosis. Monniken in de Middeleeuwen die heel veel aten en nooit bewogen hadden het ook. Dat is te zien aan opgegraven skeletten. De bindweefselbanden in de wervelkolom verbenen, ze veranderen in bot. Ook de banden in gewrichten verbenen. En de aanhechtingen van de pezen. Alles wordt hard en stijf, waardoor er bij een val gemakkelijk kleine breuken kunnen ontstaan. En die zijn, heel verraderlijk, op de röntgenfoto moeilijk te zien. „Een ramp”, zegt Öner. „Normaal geneest zo’n breuk vanzelf, maar bij deze patiënten niet en na twee of drie weken: krak, een dwarslaesie.” En dan? „Ja, wat dan. Dan sta je weer voor de keuze: opereren of niet.”

Laatst kreeg hij een man van 95 die was gevallen in het verzorgingshuis. Nek gebroken. Die heeft Öner wel geopereerd. Waarom? „Hij was in staat om te zeggen wat hij wilde. En hij wilde het. En een gebroken nek of rug of been vastzetten, of een nieuwe heup implanteren, is veel gemakkelijker geworden. Dus je doet het eerder.” Wat vindt Cumhur Öner daarvan? Hij aarzelt even.

„Mijn moeder stierf op haar vierentachtigste en op haar sterfbed zei ze tegen me: ‘wat is doodgaan moeilijk’. In de jaren negentig had ze borstkanker gehad, later ondervond ze de gevolgen van de chemotherapie en de bestralingen. Ze ontwikkelde hartfalen en alles werd uit de kast gehaald om haar leven te rekken. Voor mijn gevoel heeft het een half jaar te lang geduurd.”

Wat wil hij hiermee zeggen? „Dat we niet weten hoe we met dit probleem moeten omgaan, omdat het nooit bestaan heeft. We hebben er de filosofische of culturele kaders niet voor. Doodgaan ging vroeger altijd vanzelf. En nu wordt de oplossing van dokters verwacht. Maar wat moet ik, als iemand hier met zwaailichten wordt binnengebracht? Waarom moeten dokters die beslissing nemen? Mensen moeten ook zelf nadenken en zelf beslissen: het is wel goed zo, laat mij maar liggen, thuis. En als mensen niet meer voor zichzelf kunnen beslissen, en er is een niet-behandelingsovereenkomst, blijf dan weg uit het ziekenhuis.”

Öner kon pas voor het eerst weer naar Turkije in 1996, als Nederlander. Zijn Turkse staatsburgerschap is hij kwijt. Sinds hij hoogleraar is, zeven jaar nu, is hem al een paar keer gevraagd of hij geen hoogleraar wil worden in Ankara of Istanbul. Voelt dat als genoegdoening? „Nee, want wat hebben de mensen in mijn vakgebied te maken met wat er 35 jaar geleden is gebeurd? Ze zien me als een bekwame collega.” De Turkse organisatie van wervelkolomchirurgen heeft nu een fellowship ingesteld aan het UMC Utrecht: Turkse collega’s krijgen een beurs om twee maanden in het UMC Utrecht ervaring op te doen. De naam van dat fellowship is Cumhur Öner. En dat voelt ook niet als genoegdoening? „Ik zoek geen genoegdoening”, zegt Öner. „Van wie zou ik die moeten krijgen? Van een land? Een natie? Wat is een natie? Een door mensen gemaakte categorie, een platoons idee dat in de werkelijkheid niet bestaat. Waarom zou je je daar iets van aantrekken?”