Toen nog niet de grumpy old lady

Uit de dagboeknotities die de ironische, erudiete en roes-zoekende Doeschka Meijsing tussen 1961 en 1987 bijhield is nu een selectie verschenen. Die heeft de trekken van een cultuurgeschiedenis en biedt voer voor biografen.

Bij de uitreiking van de AKO Literatuurprijs 2008 (die ze won) werd Doeschka Meijsing liefdevol aangeprezen als grumpy old woman. Nu valt er wel meer dan die drie woorden te zeggen over de ironische, scherpe, erudiete en roes-zoekende schrijfster, die begin 2012 bezweek aan complicaties bij een operatie. Door haar onverwachte dood werd het bekroonde Over de liefde ook haar laatste boek. De roman ging de geschiedenis in als de weerslag van haar relatie met journaliste Xandra Schutte, maar greep evenzeer terug op de vroegste liefdes van Meijsing.

De grumpy old woman is nog ver te zoeken in het begin van En liefde in mindere mate, de nu verschenen keuze uit de dagboeken die Meijsing bijhield tussen 1961 en 1987 – er volgt nog een tweede deel. Het dagboek begint klassiek, in een boek met een slotje, waarin de veertienjarige Haarlemse Doeschka (Marjan voor de burgerlijke stand) Meijsing op 28 december 1961 schrijft: ‘Ik zal proberen alles wat ik voel te vertellen.’ En gevoeld zal er worden, met een ernst en diepte die het meisje dan nog onmogelijk kan overzien. Even tekenend, een paar zinnen verder nadat ze zich heeft opgedragen zich niets aan te trekken van haar aanstaande slechte rapport: ‘Wat ben ik sterk nu ik dat schrijf.’

In veel opzichten hield Meijsing een echt puberdagboek bij. Ze bewondert Anne Frank, richt haar eigen dagboekbrieven aan de fictieve ‘Margaret’. Er is paniek om slechte cijfers, vreugde om een goede beurt en soms een vlaag van groot zelfbewustzijn: ‘Wie een hooggeplaatst persoon is, verliest zijn vrienden. Ik ben bezig dit te ondervinden.’ Of plotseling een zin die een glimp toont van een waarlijk literaire toekomst: ‘De dagen die achter me liggen zijn afgeleefd en verpulverd in een grijs stof dat uit de plooien van mijn huid valt.’ Op de achtergrond speelt het gezinsleven dat door de jonge Doeschka doorlopend als bevoorrecht wordt beschreven, maar waarin ook de moeizame relatie met haar moeder (‘Ik was haar perfecte vijand’ zou Meijsing later zeggen) en de liefdevolle concurrentie met haar jongere broer Geerten de aandacht trekken. Af en toe schrijft Doeschka een verhaal, al maakt ze die zelden af.

Driehoeksverhouding

Over de liefde: volgens alle clichés van het gymnasiumleven valt Meijsing voor haar leraar Nederlands, Thijs Pollmann, wat een driehoeksverhouding oplevert met hem en zijn echtgenote Tessel, die meer dan anderhalf decennium stand zal houden. Op verwante wijze ontstaat er een relatie tussen Doeschka en een andere docent, Jan van Luxemburg, en diens vrouw Anneke. Wat verder op de achtergrond speelt de liefde die het meisje niet als zodanig herkent, die voor haar gymnastiekdocente Ank Oomes.

Pas later zal die in haar werk (Robinson, maar ook Over de liefde) een grote rol gaan spelen. Oomes krijgt in het dagboek slechts terloops aandacht, maar heel scherp ziet Meijsing haar eigen gevoelens als ze verkering krijgt met een medeleerling. Ze weet al snel dat dat geen liefde is: ‘Er moet een ander woord zijn om uit te drukken wat ik voor Floor voel. Laat ik het praijwintoej noemen. Ik heb geprobeerd de klanken erin te leggen. Het is een mengsel van verliefdheid, een snuifje melancholie, kilo’s zon en lach, verwardheid, kortom alles wat vreugde is (ook een beetje liefde zit erbij).’

Het is verleidelijk om zo het hele dagboek te volgen: mooie stukjes citerend over het verlangen ‘gewoon Doeschka Meijsing’ te zijn, of de passage waarin de schrijfster bedenkt dat ze haar dagboek maakt voor de tijd waarin ze, bejaard, zelf niets meer mee kan maken: ‘Mijn hele leven zal ik dagboeken schijven voor die lieve oude vrouw.’ Ze is dan achttien jaar. Het is ook de periode waarin zich iets anders openbaart: haar liefde voor wijn en jenever – later gevolgd door whisky, sherry en een reeks andere dranken. Je kunt het moeilijk los zien van de omstandigheid dat de op haar 64ste gestorven schrijfster nooit die lieve bejaarde zou worden. Voornemens om minder te drinken en/of roken duiken met grote regelmaat op in het dagboek.

De aantekeningen van Meijsing, in totaal genoeg materiaal voor acht boekdelen, zijn door Ben Peperkamp en Annette Portegies met grote toewijding geselecteerd en bezorgd. Zo hebben ze het dagboek aan een aantal betrokkenen laten lezen, onder wie Geerten Meijsing, en hun commentaar in de noten alle ruimte gegeven. Zo lezen die als een biografische schets op zichzelf, waarbij de andere personages de beweringen van de auteur kunnen tegenspreken of nuanceren. Het geeft het boek de trekken van een cultuurgeschiedenis en maakt het zonder meer tot voer voor biografen.

De ijver en plichtsbetrachting van de bezorgers is hier en daar doorgeschoten: de noten zijn een wel heel groot deel van En liefde in mindere mate uit gaan maken. Het boek omvat 744 bladzijden, maar al op pagina 385 eindigt het dagboek. De rest bestaat uit aantekeningen die niet allemaal een verrijking zijn. Zo behoeft een citaat van Bloem of Herzberg niet per se een noot naar het verzameld werk van de dichter, mag een vermelding van Astérix voorbijgaan zonder de twee in 1967 verschenen titels en is het niet nodig om het weekblad Libelle te karakteriseren (‘publiceerde sinds het eerste nummer (in 1934) voornamelijk en consequent over koken, kleding, handwerken, gezondheid, opvoeding en vakanties’) om te begrijpen dat ‘Libelle-stijl’, zoals die in huize Meijsing voor Doeschka’s proza werd gebruikt, een grove belediging was. (En een aanwijzing dat de Meijsings incompetente lezers waren, maar dat terzijde.)

De talloze uren werk van de bezorgers betalen zich elders wél ten volle uit. Wanneer Meijsing eenmaal gaat recenseren voor Vrij Nederland, geven Peperkamp en Portegies veel van die stukken uitgebreid weer, waardoor ook de lezer en de essayiste Meijsing tot leven komen. En dat werpt weer een licht op de auteur, bijvoorbeeld wanneer zij in een bespreking van de brieven van Sylvia Plath stelt dat Plaths egodocumenten minder inzicht in haar innerlijk leven geven dan haar romans.

Leitmotiv

Dat is de vraag die je je ook bij En liefde in mindere mate kunt stellen. Want als je het dagboek van Meijsing helemaal leest, dan valt op hoe veel van de thema’s die zij zelf uit haar leven lichtte, in haar werk maar ook in interviews, in het dagboek een kleinere rol spelen dan je zou verwachten. Dat geldt met name voor de relatie met Meijsings moeder. Een oude vriendin van de schrijfster zegt naar aanleiding van een pijnlijke familieanekdote: ‘Doeschka was het type van het leitmotiv – als ze eenmaal een goed verhaal te pakken had, kwam ze er keer op keer op terug. Ze schroomde evenmin om sterke grappen nog eens en nóg eens op te dissen. „Een goede grap wint bij herhaling,” zei ze vaak. En dat gold ook voor een dramatisch verhaal.’

De liefde voor haar gymlerares is een gelijksoortig geval. Afgaande op Meijsings oeuvre verwacht je dat het vaker over haar zal gaan dan in de terloopse verwijzingen naar Ank Oomes die er nu in staan. De vraag is natuurlijk hoe dat komt. Was de jonge Doeschka Meijsing beschroomd om die in het licht van haar katholieke opvoeding wel heel erg zondige verliefdheid? Of heeft zij pas later, toen haar duidelijk was dat ze lesbisch was, het belang van haar gevoelens voor Oomes onderkend – en er een leitmotiv van gemaakt?

Waar ze thuishoorde in de liefde, werd Meijsing duidelijk toen ze op haar vijfentwintigste kennis maakte met journaliste en vertaalster Gerda Meijerink. Tot dan toe was het leven van Meijsing er een geweest van onbereikbare liefdes en onbevredigende verhoudingen, waar ze ook steeds met reserve over schrijft. En van ongemak met vriendinnen: ‘Wat is “ongezond”? Ik wil toch niet met haar naar bed? Zo nu en dan wil ik haar aanraken, als blijk van genegenheid, c’est tout.’ Tot in de winter van 1973 alles helder wordt: ‘Twee weken geleden: daar ligt het beginpunt van alles wat ik nu meemaak. Twee weken geleden, op donderdag de dertiende december, ben ik verliefd geworden op Gerda Meijerink.’ Voor het eerst schrijft Meijsing zonder voorbehoud over een werkelijke, wederzijdse liefde. En zet ze prompt een jaar lang amper iets in het dagboek. Later zal ze ook met Meijerink in talloze stormen belanden, zie een aantekening van twee jaar later: ‘Er zijn een paar dingen gebeurd: een paar keer een woedeaanval van mij, je kent het wel van vroeger: huilen en hysterisch praten. Maandagmiddag na school [Meijsing gaf Nederlands] sollicitatiegesprek. Naar huis en met hoofdpijn in bed. Dinsdag niet naar school gegaan. Dinsdagavond door Gerda geslagen, ruzie, weggegaan naar Olga. Niet geslapen.’

Literaire twijfel

In de liefde blijft alles moeizaam voor Meijsing, die ondanks haar groeiende reputatie en succes ook regelmatig bevangen wordt door literaire twijfel. Maar die ook gaandeweg de noodzaak ontdekt van een plaats waar ze zich terug kan trekken. Want dat is een ander thema dat onophoudelijk aanwezig is in dit dagboek: de verhouding tussen publiek en privé. Meijsing weet van jongs af aan dat ze charmant en geestig is, maar heeft ook – het komt vaker voor bij schrijvers – de neiging alles en iedereen te ontvluchten. In de roes, al herkent ze in de loop der jaren ook de noodzaak van fysieke afzondering.

In dat licht is het ook goed om Over de liefde nog eens naast het dagboek van Meijsing te leggen. En dan niet de oppervlakte van dat verhaal (vrouw wordt verlaten door een vrouw voor een man), maar het grote thema dat daaronder ligt: de sturende werking van schaamte in het leven van Pip, de hoofdpersoon. Dat thema loopt ook als een rode draad door het dagboek. Van de rotopmerkingen van de moeder tot de vriendin die Meijsings aanhankelijkheid ‘ongezond’ vindt; steeds weer voelt ze de druk om zich te verantwoorden. En het werkt: zie haar grote twijfel over de toch werkelijk heel knappe roman Robinson. Die, met alle herkenbare scènes uit haar verleden óók een oefening in schaamteloosheid was. Dáár zit de onophoudelijke spanning die En de liefde in mindere mate gaande houdt. En die in één moeite door het oeuvre van Doeschka Meijsing springlevend houdt.

Correcties en aanvullingen

Doeschka Meijsing

In de recensie Toen nog niet de grumpy old lady (11/4, p. 10) van de dagboeken van Doeschka Meijsing is sprake van een driehoeksverhouding tussen Meijsing, haar leraar Thijs Pollmann en diens vrouw Tessel. Daarmee werd geen seksuele relatie bedoeld.