‘Roméo et Juliette’ tegen de achtergrond van Palestijns-Israëlische conflict

Roméo et Juliette Voor het eerst sinds de fusie werken de Nationale Opera & Ballet echt samen. In de ‘symphonie dramatique’ Roméo et Juliette van Berlioz verbindt choreografe Sasha Waltz instrumentale orkestpassages met zang en dans.

Romeo et Juliette van de Nationale Opera en Het Nationale Bakllet

Ze mag met intussen wel een specialiste worden genoemd, maar choreografe Sasha Waltz (Karlsruhe, 1963) wordt claustrofobisch bij de gedachte dat zij zich tot één stijl of genre zou moeten beperken, zelfs als dat de rijke mengvorm ‘choreografische opera’ is. En dus pendelt zij sinds Purcells Dido and Aeneas, haar eerste operaregie uit 2005, tussen meer en minder multimediaal theater, tussen Gesamtkunstwerke van muziek, zang, dans, drama en architectonische vormgeving en (bijna) abstracte choreografische composities.

Igone de Jongh

„In mijn hoofd schiet het nog altijd alle kanten uit”, zegt ze, aan de telefoon vanuit Berlijn, waar haar gezelschap Sasha Waltz and Guests is gevestigd. Ze koestert haar keuzevrijheid, en laat zich graag door extreem verschillende bronnen en muzieksoorten inspireren, niet zelden vlak na elkaar. Roméo et Juliette bijvoorbeeld, waarin een verliefde Berlioz zich op zijn meest romantisch laat horen, regisseerde zij in hetzelfde jaar als Medea, waarvoor zij Medeamaterial koos van Heiner Müller, in 1990 getoonzet door Pascal Dusapin.

„Voor elke stijl moet je iets anders in jezelf aanboren. Barok roept de choreografie vanzelf op, met ritmes en vormen die om dans vragen. Dusapin eist analyse, minder instinctief, waarbij het heerlijk is om echt met de componist te kunnen overleggen.” In 2007 liet ze zich meesleuren door de onstuimige emoties van Berlioz, toen zij diens ‘symphonie dramatique’ Roméo et Juliette regisseerde voor de Opera Bastille in Parijs. De uitnodiging kwam van Gerard Mortier en Brigitte Lefèvre, destijds intendant en directeur van het balletgezelschap van het fameuze operahuis.

Sasha Waltz

Waltz raakte, zegt ze, in een soort creatieve extase. „De muziek had me in de greep, dat bewegen op de toppen van romantische overgave vond ik zo inspirerend.” Een tikkeltje ironisch: „Ik voelde me bovendien enigszins opgejaagd; er was weinig repetitietijd bij de Opéra, dus alles moest in een hoog tempo. Als ik het nu zie, ben ik verbaasd over wat ik nog allemaal heb kunnen doen en soms,” zegt ze grinnikend, „denk ik dat het ook wel íets minder had gekund.”

Berlioz ‘symphonie dramatique’ was destijds nieuw voor Waltz, maar ze voelde zich meteen thuis in de open structuur van de compositie, met drie solozangpartijen, twee grote koren en een orkest dat in lange instrumentale delen de gevoelswereld schildert van Roméo, Juliette en Frère Laurent. „Het is bijna een collage, heel modern voor die tijd. In andere, ‘echte’ opera’s, waarin zangers de leidende rol hebben, is het vaak zoeken hoe de dans op een zinvolle manier ingepast kan worden. Hier was ruimte. Berlioz is, met al die instrumentale passages, veel abstracter dan Prokofjev, wiens Romeo en Julia in de balletwereld het meest wordt gebruikt. Hij vertelt niet het complete verhaal na, waardoor je tot de kern kunt komen: de zinloze verwoesting die twee onverzoenlijk strijdende partijen in mensenlevens aanrichten.”

Om zich een beeld te vormen, een context voor het drama, plaatste Waltz de onmogelijke liefdesgeschiedenis tegen de achtergrond van het zich al decennia voortslepende, telkens oplaaiende Palestijns-Israëlische conflict. Uiteraard niet concreet in de handeling, haast ze zich te zeggen. Het fungeerde meer als denkrichting, al dragen de kostumering, met aspecifieke verwijzingen naar religieuze drachten, en het strakke, architectonische decorontwerp (van Waltz en haar vaste partners Thomas Schenk en Pia Maier Schriever) wel degelijk sporen van haar ‘inspiratiebron’. Zo wordt de vloer opgetrokken tot een muur; een zwart besmeurde scheiding.

De productie, in 2007 niet onverdeeld enthousiast ontvangen, werd wel al door de Scala in Milaan en de Deutsche Oper in Berlijn uitgevoerd. Artistiek directeur Pierre Audi van De Nationale Opera toonde al snel na de Parijse première belangstelling. Nu wordt met Roméo et Juliette het ‘huwelijk’ van De Nationale Opera en Het Nationale Ballet bezegeld; het is het eerste echte samenwerkingsproject. Nieuwe plannen zijn er overigens nog niet, noch een beleid. De directies zoeken projecten, bestaand of nieuw, om zich samen te presenteren „zonder in te leveren op de autonome waarde van de disciplines”, aldus Ted Brandsen van HNB. Daarbij lijkt het hem wel logischer dat een choreograaf de regie voert; iemand met een muzikale achtergrond kan niet zomaar met (klassieke) dansers aan de slag.

Waltz is vereerd dat haar Roméo en Juliette de aftrap vormt. „Deze productie verbindt de genres. Ik noem het niet voor niets choreografische opera: dans is wezenlijk, niet iets tussendoor. Het is belangrijk dat opera en ballet elkaar voeden.”