Maand later gaat België nog eens herdenken

Bomaanslagen Brussel Politici welkom bij Mars tegen Terreur, zolang ze hun mond maar houden.

Eindelijk is er een datum: zondag 17 april. Komende zondag moet de dag worden dat België voor het eerst massaal op straat eer betoont aan de slachtoffers van de terreuraanslagen op 22 maart.

Bijna vier weken heeft het dan geduurd, maar beter laat dan nooit, vinden de organisatoren die tijdens hun ‘Mars tegen Terreur en Haat’ hopen op „eenheid in diversiteit”.

Die „eenheid” was de laatste weken ver te zoeken in België, waar politici elkaar in de nasleep van de aanslagen meteen in de haren vlogen. „We zijn getuige van een zeer bedroevend schouwspel”, zegt politiek commentator Dave Sinardet. Hij somt de pogingen tot herdenken op die de Belgische verdeeldheid, in gewesten en in taalgemeenschappen, „op pijnlijke wijze” weergeven.

De Vlaamse regering was er niet

23 maart, de dag na de aanslagen, houden leden van de Vlaamse regering op het Brusselse Beursplein hun eigen wake – zonder de Franstalige (Waalse en Brusselse) politici.

De dag erna is er bij het Paleis der Natiën een federale herdenkingsplechtigheid. Maar de Vlaamse regering komt bij deze gezamenlijke plechtigheid niet opdagen. Als daarover de kritiek losbarst zegt de Vlaamse minister-president Geert Bourgeois dat zijn regering „nooit persoonlijk was uitgenodigd”. Het mailtje met de uitnodiging zou „ertussendoor geglipt” zijn. Op diezelfde dag houdt zijn regering verderop in de stad haar eigen minuut stilte.

Muurtekening en vlinders op Beursplein in Brussel na de aanslagen.Foto Patrik Stollarz/AFP

„Het versterkt het belabberde imago van ons land”, zegt Sinardet. „Je krijgt toch het beeld van een autistische Vlaamse regering. Dat ze er bij de gezamenlijke herdenking niet stonden was al erg. Maar de uitleg over dat gemiste mailtje maakt het nog erger.”

En het kan nóg erger. Op zondag 27 maart, vijf dagen na de aanslagen, wordt op het laatste moment een door burgers georganiseerde Mars tegen de Angst afgelast. Minister van Binnenlandse Zaken Jan Jambon en de Brusselse burgemeester Yvan Mayeur kunnen de veiligheid van betogers niet garanderen omdat „de politie het te druk heeft met het onderzoek naar de aanslagen”.

Maar in de loop van de middag arriveren alsnog ruim vierhonderd hooligans op het Beursplein, onder politiebegeleiding. Met waterkanon en traangas moeten ze weer worden verwijderd, terwijl ze door omstanders worden uitgemaakt voor „smerige racisten”.

Terwijl de internationale media vanaf het plein de beelden wereldwijd verspreiden, is er al snel een nieuwe politieke rel geboren. Die hooligans worden „vanuit Vlaanderen op ons afgestuurd”, reageert burgemeester Mayeur, een Franstalige socialist. „Vlaanderen is Brussel komen bevuilen met zijn extremisten.”

De Belgische politiek „heeft geen goede beurt gemaakt”, zegt politicoloog Sinardet. „Ze hebben de gebeurtenissen gebruikt om politieke spelletjes te spelen.”

Een apolitiek evenement

Om herhaling te voorkomen streeft de organisatie van de Mars tegen Terreur en Haat op 17 april uitdrukkelijk naar een apolitiek evenement. „Politici zijn wel welkom, maar alleen als ze komen als burgers, en dus níét met hun vlaggen en hun slogans”, zegt Lieve Fransen, een van de initiatiefnemers. Liever géén politici voorop in de stoet, en ook geen politieke sprekers, zegt Fransen. „Dat is ons statement. Want de politiek heeft te veel geblunderd.”

Het doet Sinardet denken aan de Witte Mars in 1996, toen ruim 300.000 Belgen in Brussel protesteerden tegen falende politie- en justitiediensten in de kindermisbruikaffaire rond Marc Dutroux. Sinardet: „Ook toen was de boodschap aan politici: dit protest is van ons, burgers. Maak hier dus géén politiek misbruik van.”