Klimaatvonnis is te strikt, het milieu redden kan alleen met z’n allen

Er zijn goede redenen voor een strenger klimaatbeleid. Maar alleen een internationale aanpak heeft daarbij zin, schrijft Leo Meyer.

Illustratie iStock

De Staat der Nederlanden is in juni vorig jaar door de rechtbank veroordeeld tot terugdringen van de broeikasgasemissies in Nederland met 25 procent in 2020 ten opzichte van 1990 in plaats van de geplande 19 procent. De zaak was aangespannen door Stichting Urgenda, die meent dat de Staat onvoldoende doet om het gevaar van klimaatverandering te keren. De Staat is in hoger beroep gegaan tegen het vonnis, het verweer is dezer dagen ingediend bij het Gerechtshof.

Op zich is er alle reden voor aanscherping van het klimaatbeleid. Het is positief dat de Klimaatzaak de urgentie in de schijnwerpers heeft gezet. Onder het VN Klimaatverdrag was aanvankelijk afgesproken dat de opwarming van de aarde beperkt moet worden tot 2 graden in 2100 ten opzichte van het pre-industriële niveau. De Klimaattop in Parijs (december 2015) heeft dit aangescherpt tot ‘ruim beneden de 2 graden en een streven naar een beperking tot 1,5 graden’. De door alle landen ingediende plannen voor het terugdringen van de uitstoot van broeikasgassen voor 2025-2030 zijn echter bij elkaar nog onvoldoende om het Parijs-doel een goede kans te geven. Er is dus meer nodig, maar toch zou Nederland anders moeten handelen dan de rechtbank eist. Waarom?

De discussie over het Urgenda-vonnis gaat vooral over de vraag of de rechter al of niet zijn boekje te buiten zou zijn gegaan door klimaatbeleid voor te schrijven. De onderbouwing van het vonnis is tot nu echter buiten schot gebleven. En dat vonnis is niet stevig onderbouwd. De uitspraak kan bovendien leiden tot ineffectief haastwerk.

Urgenda heeft een extra inspanning geëist van 25 tot 40 procent reductie in Nederland in 2020 ten opzichte van 1990. Dat is gebaseerd op scenario’s uit een IPCC-rapport uit 2007 waarin is berekend wat de industrielanden als groep zouden moeten doen om de opwarming tot 2 graden te beperken, met aannames over de bijdragen van ontwikkelingslanden. Je kan die IPCC-percentages van de industrielanden als groep echter niet één op één vertalen naar een enkel land als Nederland. Het enige wat telt voor het klimaat is wat alle landen gezamenlijk doen, en in welk tempo ze dat doen. Of Nederland zelf wat meer of minder broeikasgassen terugdringt in 2020 heeft op zich geen effect op het klimaatgevaar dat Nederland loopt.

Het vonnis stelt dat alle maatregelen binnen Nederland moeten worden getroffen. De rechtbank gaat daarmee voorbij aan afspraken die hierover binnen de EU zijn gemaakt. Er is een Europees breed emissieplafond voor de industrie en centrales. Minder emissies in Nederland, bijvoorbeeld door het sluiten van kolencentrales, leidt tot meer emissies buiten Nederland, dus geen klimaatwinst.

Nederland zou wel klimaatwinst kunnen boeken door Europese emissierechten op te kopen, en Nederland kan zich in de EU beijveren voor het realiseren van emissiereducties in ontwikkelingslanden – dat kan onder het Klimaatverdrag. De atmosfeer maakt het immers niet uit waar je de emissiereducties pleegt. Dan kan men met hetzelfde geld meer klimaatwinst boeken. Maar een internationale aanpak telt niet voor het vonnis. De Staat wordt zo gedwongen dure haastmaatregelen te nemen die bovendien deels niet effectief zijn.

Het IPCC levert geen voorschriften wat de wereld moet doen, en al helemaal niet wat Nederland moet doen. Er zijn vele wegen om wereldwijd de aanpak van de broeikasgassen de benodigde versnelling te geven. Het huidige Urgenda-vonnis werkt echter als een dwangbuis. De Staat zou meer ruimte en tijd moeten hebben om de ingrijpende overgang naar een schone energievoorziening te maken, en moet daarbij internationaal opereren. Het ware te wensen dat de staat de regie op zich neemt en zich in EU-verband beijvert voor een stringenter klimaatbeleid, maar dan met een effectievere aanpak dan de rechtbank voorschrijft.