Column

Hermans als schutter

W.F. Hermans’ beruchte schotschrift Mandarijnen op zwavelzuur is onlangs herdrukt uitgekomen als deel 16 van de Volledige Werken. Ik zal het niet meer kopen, maar met zuinigheid heeft dat niets te maken. Ook niet met het feit dat ik de tweede, herziene druk uit 1967 (de eerste verscheen in 1963) nog steeds bezit.

Het komt vooral doordat de schrijver ervan mij als polemicus nogal heeft teleurgesteld. Niet op het eerste gezicht. Integendeel, als 21-jarige had ik de Mandarijnen in 1967 met vuurrode oortjes gelezen. Die Hermans, die durfde! Daar werden een groot aantal gevestigde literaire reputaties verpletterd. De criticus H.A. Gomperts, de schrijvers Adriaan van der Veen, Adriaan Morriën, J.B. Charles, Theun de Vries, Victor van Vriesland, de dichters M. Vasalis en Koos Schuur en vele anderen.

Toen ik later het werk van Vasalis las, merkte ik voor het eerst dat ik het niet met zijn oordeel eens was: „Het is damespoëzie, maar als het licht erover vlaagt, damespoëzie op zijn best.” Dat had een waarschuwing moeten zijn, maar het leek mij eerder een uitzondering. Ik had immers een aantal geweldige romans van Hermans gelezen – hij wist hoe het moest en hij zou daarom ook wel gelijk hebben met zijn afwijzing.

Schrijvers als Van der Veen en Morriën liet ik links liggen, dat kon nooit wat zijn. Morriën? Hermans: ,,Over dit heupwiegende gekir schijnt voortdurend een langdradig lentezonnetje.” Van der Veen? Hermans: ,,Het proza van Adriaan van der Veen kun je in en uit elkaar halen als een meccanodoosje. Hij is geen eposschrijver, geen romanschrijver, geen novellenschrijver, geen prozaschrijver. Hij is een zinnetjesschrijvers. Elke dag maakt hij er een paar, ’s ochtends van acht tot negen.”

Pas decennia later moest ik constateren dat Hermans zulke schrijvers groot onrecht had gedaan. Morriën bleek in zijn memoires (o.a. Plantage Muidergracht) een voortreffelijke stilist, Van der Veen heeft goede, nog steeds leesbare romans geschreven. Ja, hun reputaties zijn verbleekt (mede dankzij Hermans dus), ze zijn goeddeels vergeten, maar dat is op zichzelf geen criterium, het geldt voor zoveel Nederlandse schrijvers en het heeft veel te maken met de manier waarop we met ons literaire erfgoed omgaan.

In 1981 deed ik een merkwaardige ontdekking. Zoekend in het archief van Vrij Nederland vond ik een aantal kritieken in dat blad die nooit waren gebundeld. Hermans schreef ze in 1946 en 1947. Hij was daarin buitengewoon lovend over de poëzie van Gomperts: „De zuiverheid en helderheid van deze poëzie zijn moeilijk te overtreffen.” Het was een ‘klein’ dichterschap maar van ‘eenvoudige grootsheid’. Acht jaar later beschreef Hermans Gomperts als een prutser, wiens geschriften „de lucht van afgekloven beenderen verspreiden”.

Hermans noemde in die VN-kritieken het proza van Van der Veen in de roman Wij hebben vleugels „zo natuurlijk en origineel”, maar in zijn Mandarijnen maakte hij dit boek later belachelijk. Wat bleek? Hermans had in de tussentijd ruzie met deze collega’s gekregen en nam wraak.

Ik schreef er in 1981 in Vrij Nederland een column over, Hermans reageerde in een interview met een ontwijkende dooddoener. Ik heb ervan geleerd dat Mandarijnen op zwavelzuur het schotschrift is van een onbetrouwbare schutter wiens losse flodders soms de verkeerde mensen raken.

fRITS ABRAHAMS