Column

De troost van een bakje wijwater

Met Kerst droeg Hans Schouten de mis nog op, met Pasen was hij dood en al bijna begraven. Het begon met een longontsteking, in januari. Die bleek het gevolg te zijn van een tumor. De artsen gaven hem geen hoop meer.

Het was niet eenvoudig om een afspraak voor een laatste bezoek te krijgen. Er waren nogal wat mensen die afscheid van hem wilden nemen en de meesten waren belangrijker voor hem geweest dan ik. Maar op een ochtend was ik dan toch aan de beurt, de dag nadat hem de sacramenten der stervenden waren toegediend.

Zijn bed stond bij het raam, waar voorheen zijn stoel had gestaan. Vanaf die plaats had hij me in talloze gesprekken over zijn leven verteld. Hij was de zoon van een klokkenmaker in de Oudebrugsteeg, in de Amsterdamse binnenstad. Tijdens zijn studie theologie werd hij gereformeerd en vanaf 1955 was hij dominee, in Tuindorp Oostzaan, in Emmeloord en Marken, in Baambrugge en Kockengen. Op zijn tachtigste werd hij priester omdat hij dat „gedonder met die vrijzinnige jongens” in de kerk zat was.

Zijn gezicht, tot voor kort zo levendig en jongensachtig, was al bijna een dodenmasker. Ik vroeg of hij bang was. Ja, zei hij. Maar niet om te sterven. Hij was bang voor de nacht. Dan zag hij de vrienden van zijn vader weer voor zich, al die mannen die waren weggevoerd en vergast. En zijn eigen vrienden, de jongens met wie hij op school had gezeten – weggevoerd en vergast. Hij zag zijn broer weer voor zich, zijn innig geliefde broer, vechtend tegen een zinloze dood in een zinloze oorlog, ver van Nederland. En voor de duizend maal duizendste maal brak zijn hart.

Zo eindigde het dus, dacht ik. De ellendigste herinneringen bleven over, ook bij deze man. Hij zei dat hij zich voelde als de heilige Antonius die werd bezocht door de duivel. Hans! Je weet toch dat goed en kwaad volstrekt willekeurig verdeeld worden. En dan dacht hij aan de Poolse rabbi die aan het eind van zijn leven zijn studeerkamer uit was gelopen en had geroepen dat er geen God was en geen gerechtigheid. „Op dat moment was hij gestorven. Vreselijk, vréselijk.”

Was Hans Schouten daar ook bang voor? Nee, zei hij. Nee, nee. De priester had gisteren een beetje wijwater voor hem achtergelaten, kijk, daar in de vensterbank. Telkens als de twijfel toesloeg doopte hij zijn hand erin en sloeg hij een kruis. Toen lachte hij en zei dat ik weg mocht gaan. Voordat ik hem voor de laatste keer een hand zou geven, vroeg hij of Jaap hem een glaasje sap kon brengen, appelsap.

Jaap was bijna zestig jaar lang zijn levensgezel. Bij de begrafenis liep hij in een zwart pak achter de kist – verslagen.