Zelfs #cobble king lijdt in de Hel

Liefst 28 stroken kasseien, 50 kilometer in totaal. „Ik heb jongens gezien die het bloed in hun schoenen hadden staan.”

De ploeg LottoNL-Jumbo met favoriet Sep Vanmarcke donderdag bij Haveluy tijdens de verkenning van de kasseistroken van Parijs-Roubaix. Foto François Lo Presti/AFP

De twaalfjarige Alexander Ballekens voelt deze donderdag wat kasseien zijn: aan de binnenkant van zijn rechterhand zit een blaar zo groot als een erwt. Het stuur van zijn rode racefiets stuiterde de hele ochtend ongecontroleerd over de beroemde Carrefour de l’Arbre, een kasseienstrook van vijf sterren – de zwaarste categorie door lengte en krakkemikkige staat van het wegdek – in de piepkleine Noord-Franse gemeente Camphin-en-Pévèle. Tussen de aardappelvelden, waar de wind kilometers lang vrij spel heeft, zou zondag zomaar de beslissing kunnen vallen in Parijs-Roubaix. Zoals het zo vaak ging. Na deze strook is het nog zestien kilometer tot het Vélodrome Jean Stablinski, waar de finish ligt. Wie dit punt bereikt heeft, weet dat aan het lijden een einde gaat komen.

Geleden wordt er. De bijna 260 kilometer lange koers wordt niet voor niets de Hel van het Noorden genoemd – aanvankelijk zo aangeduid door een journalist die dit deel van Frankrijk na de Eerste Wereldoorlog omgeploegd en kapot geschoten aantrof, maar inmiddels vanwege de getuigenverslagen van wielrenners die jaarlijks de finish passeren met een van pijn vertrokken gezicht. De pijn is erger dan bij andere koersen.

De 28 kasseienstroken, oude grindpaden maar na de oorlog met vierkante keien van tien bij tien centimeter hersteld, laten geen renner onberoerd. Parijs-Roubaix is ruim vijftig kilometer schots en scheve kinderkopjes, kuilen, greppels en grind. Wegen waar je eigenlijk alleen met een tractor op manshoge wielen overheen zou moeten rijden en niet op een stijf carbonframe met dertig millimeter brede fietsbandjes.

Angst en beven

Er zijn daarom renners die Parijs-Roubaix met angst en beven tegemoet zien. Neem Lieuwe Westra, Fries in dienst van de Kazachse ploeg Astana en een ruime week geleden nog winnaar van de Driedaagse de Panne-Koksijde. Aan hem zondag de taak teamgenoot Lars Boom zo lang mogelijk uit de wind te houden. „Ik rijd hier omdat het mijn werk is, zin heb ik er niet in”, geeft de voormalig stratenmaker drie dagen voor de start toe. „Toen ik foto’s van de slechte stukken zag, dacht ik: hoe ga ik hier ooit doorheen komen? Ik zit echt met knikkende knieën op de fiets. Lars springt van steen naar steen. Hij lacht erom.”

Westra heeft de finish in Roubaix nog nooit gehaald en daar baalt hij van. „Vorig jaar lag ik na drie stroken drie keer naast mijn fiets. Toen hield ik het voor gezien. En twee jaar terug kwam ik niet verder dan Arenberg. Een drama.” Trouée d’Arenberg is kasseienstrook nummer 18, het beruchte ‘Bos van Wallers’, 2400 meter lang kaarsrecht maar hellend naar beneden. Als het zondag regent of heeft geregend wordt dat een waar slagveld van renners die onderuit glijden.

Materiaal en stuurmanskunsten zijn niet altijd toereikend. Hier hadden valpartijen vaak grote gevolgen: in 1998 brak Johan Museeuw er zijn knieschijf en drie jaar later Philippe Gaumont zijn dijbeen. In 2005 werd het Bos zelfs tijdelijk geschrapt uit het parcours, maar twee jaar later moesten de renners er weer aan geloven – organisator ASO koestert de mystiek. Voor Westra telt maar een ding: „Dit is de enige koers die ik nog nooit heb uitgereden. Ik wil die wielerbaan halen.”

Toch zijn er renners die juist genieten van de kasseien. Neem Sep Vanmarcke, de Belg van Lotto-Jumbo, in bloedvorm getuige zijn derde plek in de Ronde van Vlaanderen. Voor hem kunnen er niet genoeg kasseien liggen, en hoe gladder hoe beter. Tijdens zijn urenlange trainingen pakt hij zoveel mogelijk kasseienstrookjes mee, in Vlaanderen gelegen tussen autoweg en fietspad. Het geeft hem een kick om eroverheen te razen. Vanmarcke is dé specialist: op zijn fiets heeft hij een derde rem laten monteren óp het stuur, zodat hij in verschillende posities over de kasseien kan en altijd controle heeft. Op zijn frame heeft hij de tekst ‘#cobble king’ geplakt, ter mentale ondersteuning, want ook hij gaat natuurlijk afzien.

Een grote lijdensweg

„Zeker een dag na de koers voelt het alsof je door een vrachtwagen bent overreden”, zegt zijn jonge teamgenoot Mike Teunissen, in 2014 winnaar van Parijs-Roubaix voor belofterenners. „Je nek doet zeer, je vingerkootjes, je polsen. Je moet dit echt mooi vinden, anders wordt het één grote lijdensweg.”

Hennie Kuiper, winnaar in 1983, spreekt van ‘het summum van afzien’. Zaterdag rijdt de 67-jarige oud-kampioen de toertocht naar Roubaix met vrienden, over 130 kilometer en kasseien. „Echt mijn koers. Je moet die stroken als een uitdaging zien. Als je er voor het eerst overheen rijdt, denk je dat het niet te doen is. Dan zit je verkrampt op de fiets, en dat is zo vermoeiend. Ik heb jongens gezien die het bloed in hun schoenen hadden staan. De truc is dat je het voorwiel z’n weg over de stenen laat zoeken, je stuur moet je losjes vasthouden, ontspannen.”

De jonge Alexander Ballekens heeft de jaren om dat te oefenen. Voor nu volstaat een blauwe pleister.