Column

Wat wij willen: weer ouderwets wij tegen zij

Wat gaat de Nederlandse regering doen met de uitslag van het referendum? En de Europese Unie? O, zeggen specialisten, de opkomst was laag en slechts een kleine minderheid van Nederland heeft nee gezegd. Dus vinden ze wel een oplossing: je schrapt een bepalinkje, geeft Nederland een uitzonderingspositie op een niet-vitaal puntje.

Juristen hebben vaker met dit bijltje gehakt. Denen, Ieren en Britten zijn meermalen gered door kleine aanpassingen in complexe internationale akkoorden die zo vol jargon staan dat niemand ze leest.

De specialisten hebben gelijk: ze zullen er inderdaad wel weer wat op vinden. Maar helaas werkt deze oplossing alleen op korte termijn. Op lange termijn zal het omgekeerde gebeuren. Dit referendum is immers één luid protest juist tegen die rationele cultuur van de tweaks.

In die zin is het referendum een symbool van een diepe cultuuromslag in Europa. Decennialang geloofden wij dat de mens almaar beter werd. We hadden elkaar in de eerste helft van de vorige eeuw flink uitgemoord, maar dachten dat we ervan geleerd hadden.

We bouwden instituties die ons zouden helpen minder naar onze instincten te luisteren en meer naar rationele argumenten. De parlementaire democratie was een fase in die positieve evolutie van ‘de nieuwe Europese mens’. We schoten immers niet meer op elkaar met munitie, alleen nog met woorden. We geloofden in multilateraal overleg en de markt, niet in oorlog en nationalisme. We sloten compromissen, er waren geen winnaars en verliezers meer. We vergaderden liever jaren over een akkoord vol grijstinten, dan ooit nog een beroep te doen op milities of Heimat.

Europa heeft zich lang gewenteld in haar eigen goedheid, helemaal van eigen kweek. Het werd daarin gesterkt toen de Muur viel en de hele wereld ons voorbeeld leek te willen volgen. Zo zijn we met de ogen dicht de post-politiek ingesukkeld. Dat is politiek zonder antagonisme, waarin iedereen het over de grote lijnen eens is. Een politiek van enerzijds, anderzijds. Waarin tegenstanders met een technisch ingreepje worden ‘geaccommodeerd’.

Maar mensen zijn geen machines. Lees Freud, of Carry van Bruggen: mensen zijn groepswezens maar zoeken evengoed ‘het verschil met de ander’. Wij zijn emotionele wezens die ergens bij willen horen én antagonisme nodig hebben: we willen ons ergens tegen afzetten. Dan weten we wie we zijn.

Door de globalisering en Europeanisering kunnen we die hang naar antagonisme in de politiek niet goed meer kwijt. Veel dingen worden in Brussel besloten, of op Wall Street. Daar is weinig aan te doen: een land als Nederland kan zichzelf niet buiten de globalisering plaatsen. Maar het gevolg is dat velen de politiek de rug toekeren en dit antagonisme elders zoeken.

Vroeger had je links versus rechts. Nu doemt een nieuw onderscheid op: goed versus fout. Dit is een moreel onderscheid. Wij tegen zij. Volk tegen elite. Vroeger was migratie een tamelijk rationeel politiek debat. Nu is het een moreel debat, waarin instincten een uitweg zoeken. Over instincten en identiteiten sluit je geen compromissen.

Ook over Europa wordt de discussie steeds emotioneler. Wie niet eurofoob is, is dus eurofiel. Die twee zien elkaar als vijand en beledigen elkaar zelfs onbedoeld, waardoor iedereen steeds bozer wordt. Elk wapen is geoorloofd. In het parlement gelden regels. In de morele arena, die grotendeels buiten het parlement ligt en waar vanaf nu parlementaire besluiten worden herroepen, in de verste verte niet.

Dit is wat er aan de hand is. Dit gaat over identiteit. Over nieuwe, sociale breuklijnen in de maatschappij. Ons hele naoorlogse gedachtengoed, de hele Europese ‘orde’, staat ter discussie.