Vidal werd graag aan zichzelf herinnerd

Vier jaar na de dood van de Amerikaanse schrijver en vileine societyfiguur Gore Vidal is er nu eindelijk een kritische biografie, waarin tal van mythes worden doorgeprikt.

Gore Vidal in zijn huis in Edgewater aan de Hudson, april 1960. Foto Leonard McCombe/The LIFE Picture Collection/Getty Images

Het viel te verwachten dat al kort na de dood van Gore Vidal, in juli 2012, de potentiële biografen, vrienden en vijanden zouden staan te trappelen om hun visie op zijn werk en leven te publiceren. De auteur was een groot deel van zijn leven een even bewonderde als gevreesde socialite, wiens omgang met de groten der aarde in de wereld van film, politiek, literatuur en wat al niet de neiging had zijn literaire prestaties te overschaduwen. Maar het boek dat Fred Kaplan over hem schreef had in 1999 de furie van Vidal gewekt, en die furie kon dermate heftig en genadeloos zijn dat iedereen het veiliger vond te wachten tot na zijn dood.

Al in 2013 verscheen In Bed with Gore Vidal van Tim Teeman, een scandaleus werkje waarin zelfs de grootte van des schrijvers penis wordt besproken. Begin dit jaar was er Sympathy for the devil: Four Decades of Friendship with Gore Vidal van Michael Mewshaw, een Amerikaanse kennis uit zijn Romeinse periode, die de anekdotes over Vidals seksleven gretig aanvult met genante beschrijvingen van zijn dronken uitbarstingen en denigrerende opmerkingen over de houdbaarheid van zijn oeuvre. Het is maar wat je friendship noemt.

Jay Parini is een aanmerkelijk gewetensvoller biograaf, die ook een reden had pas zijn boek te doen verschijnen na Vidals dood. Hij kende de auteur sinds het midden van de jaren tachtig toen hij vlakbij hem bleek te wonen aan de Italiaanse kust; er volgde een vriendschap op intervalbasis en Parini noteert nu, waarheidsgetrouw: „Men had doorgaans de keus met Gore: óf je was het met hem eens, of je vertrok […] Ik nam het besluit to hang in there.”

Kiezen: biografie of vriendschap

Toen Vidal hem begin jaren negentig vroeg om zijn biografie te schrijven realiseerde hij zich te moeten kiezen tussen de vriendschap of die biografie. „I couldn’t have both.” En dus besloot hij het boek te schrijven, maar het pas na Vidals dood te publiceren. Het is weliswaar een kritische biografie geworden, maar de bewondering voor Vidal blijft er doorheen schemeren. Dat ondanks het feit dat Vidal hem zijn leven lang aan zijn dienende functie herinnerde en hem, zo schrijft hij nu met nog steeds enige pijn, regelmatig schoffeerde. „Ik wist niet dat ze wops als jij daar toelieten”, was zijn reactie toen Parini hem meedeelde een beurs voor Oxford te hebben gekregen (wop is een denigrerende benaming voor Italiaan). In zijn latere jaren werd Parini zijn favoriete interviewer bij openbare optredens, maar die werd dan wel geacht uitsluitend zogenaamde softball vragen te stellen, vragen waarop het antwoord al klaar lag.

Dat Vidal de geschiedschrijving over zichzelf bij voorkeur in eigen hand hield blijkt uit de beide delen autobiografie die hij in zijn latere jaren schreef. Parini betoogt overtuigend dat zelfmythologisering hier hoogtij vierde en dat de auteur, staand voor de keuze tussen een mooi verhaal of de historische werkelijkheid, het niet zo nauw nam met het laatste. Het opzienbarendste is hoe Parini de affaire met Jimmy Trimble, de enige man van wie Vidal zei écht gehouden te hebben, als grotendeels verzonnen weet te ontmaskeren. Het kwam natuurlijk goed uit dat Trimble zijn kant van het verhaal nooit heeft kunnen vertellen, hij sneuvelde in 1945.

Parini wijst er verschillende malen op dat het repertoire aan oneliners, vileine grappen en schampere aanvallen op de Amerikaanse politiek naarmate Vidals leeftijd vorderde steeds repetitiever werd. Vidal recyclede niet alleen zijn eigen wisecracks, hij leende ook zonder gewetensbezwaar van anderen. Parini beschrijft een lezing voor de National Press Club in Washington in 1988 waarin Vidal zich vrolijk maakte over president Reagan. Na verteld te hebben dat de Presidentiële Bibliotheek door brand zou zijn getroffen, vervolgde hij: „Beide boeken zijn verbrand. Maar het werkelijk tragische is dat Ronald het tweede nog niet helemaal vol gekleurd had.” Erg geestig natuurlijk, maar het écht tragische is misschien dat ik die grap, woord voor woord, twaalf jaar eerder al door een tv-komiek over president Ford had horen maken.

Nooit genoeg spiegels in huis

De titel van dit boek, Empire of Self, verwijst uiteraard naar Vidals narcisme: „Hij had een hele hal met spiegels nodig voor adequate reflectie, en er was nooit genoeg.” Ook letterlijk, zijn hele huis in Ravello hing vol met foto’s en ingelijste tijdschriftomslagen van hemzelf, tot op zijn eigen nachtkastje. „Ik word ik er graag aan herinnerd wie ik ben”, verklaarde de auteur desgevraagd, en voor wie hem zijn narcisme als verwijt voorhield had hij altijd een dodelijk antwoord paraat: „Een narcist is iemand die er beter uitziet dan jijzelf.”

Parini beschrijft leven en werk van Vidal in een helaas wat saaie en lineaire stijl, maar weet toch een overtuigend portret te schetsen van een auteur die leefde van publieke bewondering. „Zal iemand zich nog Gore Vidal herinneren in de komende jaren”, vraagt Parini zich af. Als dat zo is zal het, voor zijn eigen generatie en de iets jongere vooral zijn als acteur, politicus of (met name) gast in wel honderden talkshows. Terwijl zijn Amerikaanse historische romans (Burr, 1867, Washington D.C.) en vooral zijn altijd prikkelende, controversiële essays het verdienen nog lang een verplicht onderdeel van de Amerikaanse literaire canon te blijven.