Column

Vaatwasser

Ik denk nooit luchthartig over het in- en/of uitruimen van de vaatwasser. Ik zie er altijd onmetelijk tegenop en stel het zo lang mogelijk uit. Dat uitstellen is een vreselijke kwelling; er moet iets heel naars gedaan worden en je voelt je er mentaal en fysiek nog niet klaar voor, maar mijn god, wat een rommel. En de rommel groeit en groeit. De moed zakt je in de schoenen. Overal staan besmeurde borden en aangekoekte pannen naar je te kijken.

Ok, niet overal, voornamelijk op het aanrecht, maar soms, als het uitstellen vreselijke vormen begint aan te nemen, staat er ook nog wel een kopje, bordje, schoteltje, wijnglaasje of zoiets dergelijks op de tafel, de badrand, of in het gat in de bank dat mijn katten gegraven hebben zodat Die Korte het als chipsbak/bekerhouder gebruiken kan. Heel fideel van ze. Hoewel ik ook niet mag uitsluiten dat de katten het gedaan hebben omdat ze na zeventien jaar weleens een andere bank willen. Maar dan hebben ze zichzelf toch aardig in de vingers gesneden, aangezien Die Korte de aanschaf van een nieuwe bank tegenhoudt juist vanwége de chipsbak/bekerhouder.

Maar goed, de vaatwasser, dus. Het blijkt achteraf altijd heel erg mee te vallen. Sterker; het is doorgaans zo gepiept en het geeft ook nog eens voldoening. En dat verbaast me iedere keer opnieuw. Waarom onthoud ik niet dat het wel meevalt? Waarom is mijn brein niet in staat deze positieve ervaring op te slaan? Zelfs goudvissen kunnen maandenlang hun weg door een doolhof onthouden, en voor iemand zonder armen vrij complexe handelingen op een bepaald tijdstip verrichten, als ze maar een beloning wacht. Goudvissen!

Misschien is de vaatwasmachine wel een beetje zoals een tikkende klok, je hoort je leven wegtikken. Over de vaatwasser heen gebogen denk ik namelijk vaak: ‘Alweer een volle vaatwasser. Hoeveel volle vaatwassers ben ik verwijderd van mijn dood?’ Tijdens het uitstellen van mijn vaatwastaak leer ik dus bijvoorbeeld de volledige tekst van het rapnummer Shoop van Salt-n-Pepa uit mijn hoofd. En onlangs heb ik mij in allerijl (veel aangekoekte pannen) tot Nederlandse poëzie uit de zeventiende en achttiende eeuw gewend.

BEDREIGING

Moorddadig Vloekgedrocht! in welk een plondernest

Zyt gy gebaard, dat gy, vervoerd van haat en toren,

Myn zangziek vogeltje den dood hebt toegezworen,

En uwe darmen met zyn vleesch en bloed gemest?

Zyt gy een Razerny, uit Plutos zwart gewest

Gedaagd in katgestalte? och! waar myn wraak te voren

Bewust geweest dat my dit onheil was beschoren,

Myn vinkje leefde nog, o wreede vogelpest!

’k Had uwen gorgel met een koorde toegewrongen,

En u doen stikken in uwe afgepynde longen,

Of nek en ribben met myn voeten ingetrapt

Ontwyk myn woede vry! kruip vliegende agter stoelen!

Eer ik u dadelyk mijn gramschap doe gevoelen;

En gy met deze byl tot hutspot werdt gekapt.

Dit gedicht van Roelof Arends Den Jongen ken ik nu van voor naar achter. Wat heb je daar nou aan, hoor ik je denken. Maar als je dit een beetje lekker uit je strot krijgt gaat het in- en uitruimen veel sneller, blijkt, en krijgt het therapeutische waarde.