Ach toe, mag het bestaan iets minder plat?

Anti-intellectueel De moraalvrije ideologie heeft de mens tot een louter rationeel wezen gereduceerd, stelt Sana Valiulina vast.

The-other-Christ van de Amerikaanse fotograaf Andres Serrano. Tot aug. te zien op de tentoonstelling ‘Andres Serrano. Uncensored Photographs’ in de Musea voor Schone Kunsten van België in Brussel.

‘Religie is een emotionele keuze”, schreef William James, een negentiende-eeuwse Amerikaanse filosoof en psycholoog, en de oudere broer van de bekende schrijver Henry James. Ik heb deze zin altijd onthouden, omdat hij in al zijn eenvoud ons essentiële dingen zegt over de menselijke geest. Om te beginnen dat de mens onzichtbare en niet meetbare emotionele behoeftes heeft die onderkend en beleden moeten worden om de geest gezond te houden. De pragmatische filosoof die weinig op had met godsdienstige instituten, vond dat een religie mensen in staat stelde om een beter en vollediger leven te leiden.

De visie op de mens met zijn emotionele en dus immateriële behoeftes wordt in onze materialistische, door toetsen, testen, statistieken en breinonderzoeken geobsedeerde maatschappij in het beste geval genegeerd en in het ergste geval als achterlijk weggezet. Geen wonder, want ze past niet in het mensbeeld dat in Europa al ruim twee decennia lang door het neoliberalisme ijverig wordt gepropageerd.

Deze zogenaamde moraalvrije ideologie heeft de mens tot een louter rationeel wezen gereduceerd, dat slechts door economische belangen wordt gedreven. Mochten ze er vroeger in de communistische landen toch nog een soort utopisch toekomstideaal op na houden, in het Europa van ná de Muur is de visie op de mens zo plat als een dubbeltje. Zoveel mogelijk geld verdienen, dan wel je overgeven aan de op volle toeren draaiende vermaakindustrie, op zoek naar roes en vergetelheid.

De wereld als de platte arena waar de zwakste omvalt en de sterkste er met de buit vandoor gaat.

Het is dan ook geen verrassing dat veel mensen die de denderende economische werkelijkheid niet meer kunnen bijbenen en zich verraden voelen door de neoliberale politici, hun emotionele keuze vinden in de warme schoot van het nationalisme. Daarbij worden ze bijgestaan en opgehitst door de aanhangers van de natiestaat die iedereen die niet tot die bewuste natie hoort als verdacht en gevaarlijk neerzet en hem de schuld geeft van alle maatschappelijke ellende.

Als voorbeeld wordt meestal het Romeinse Rijk aangehaald, dat ten onder zou zijn gegaan aan de Oosterse invloeden. Die zouden de zuivere en sobere Romeinse zeden hebben aangetast. Maar wie zich een beetje verdiept in de Romeinse geschiedenis, ontdekt al gauw hoe die zeden vanaf het ontstaan van het imperium ernstig te lijden hadden onder de actief beleden staatshypocrisie van de eerste Romeinse keizer.

Sommige mensen, die met afgrijzen moeten aanzien hoe hun vertrouwde wereld wordt opgeofferd aan avaritia (hebzucht & gierigheid), de grootste deugd van het neoliberalisme, voelen zich emotioneel aangetrokken tot de utopische toekomstidealen. Er moet toch ergens een alternatief zijn voor deze roofzuchtige wereld? Desnoods verwezenlijkt met de sterke hand, dan maar een beetje dictatuur.

De mens als louter rationeel wezen met het hoogste doel om zo veel mogelijk geld te verdienen, is een ideale bouwsteen voor het neoliberale economische model. Het verschil met de communistische leer en zijn beruchte menselijke bouwstenen is dat men zich in het neoliberalisme min of meer vrijwillig in dienst stelt van het systeem. Of denkt dat te doen. Er is een heuse tak van wetenschap ontstaan, genaamd human resources oftewel menselijke grondstoffen, die onderzoekt hoe de mens optimaal kan worden benut om winstmaximalisatie te behalen.

Dat houdt in: vooral geen grote vragen stellen. Die zijn ook makkelijk te ontwijken: het leven in onze welvarende samenleving heeft immers zoveel te bieden, van de tijd en energie opslurpende social media en het eindeloos consumeren tot aan de megafeesten die je geest prettig blanco en fris houden.

De frontale aanval op kunst en cultuur past goed in het anti-intellectuele beleid

Maar die vragen ontstaan vanuit de diepste emotionele behoeften van de mens, vanuit zijn donkere, irrationele kanten. En die worden door het neoliberalisme juist ontkend en genegeerd. Het lijkt alsof die predikers nooit een behoorlijk boek hebben gelezen waarin de complexe menselijke conditie uiteen wordt gezet.

Nu religie samen met Maria van de eeuwigdurende bijstand is weggevallen, blijven de grote vragen voor de meeste mensen onbeantwoord. Evenmin kunnen ze worden beantwoord door de nieuwe technologieën, laat staan door plat amusement.

In de ogen van de neoliberalen ‘verzwakken’ deze vragen de mens, omdat ze twijfel in hem zaaien. Daarom zijn ze een bedreiging voor het neoliberale economische model. Daarom ook moet het neoliberalisme niets van kunst en literatuur hebben, want zij houden zich juist bezig met die donkere, onvoorspelbare kanten, zij laten zien dat de mens meer is dan alleen een economische eenheid, gedreven door zijn maag en libido, of, zoals het nationalisme ons wil doen geloven, door de angst en achterdocht naar de ander.

In haar afkeer voor kunst en literatuur vertoont de neoliberale ideologie interessante overeenkomsten met uitgerekend het moslimfundamentalisme. Dat immers, keurt ook alle uitingen van de menselijke ziel, zoals muziek, dans en poëzie, kortom alles wat niet in de pas loopt met die enige grote waarheid, af of verbiedt het.

De frontale aanval op kunst en cultuur past daarom heel goed in het anti-intellectuele beleid dat in Nederland de laatste jaren wordt gevoerd. Het is opvallend dat het neoliberalisme en het populisme elkaar prima kunnen vinden in hun gezamenlijke hetze tegen de cultuur.

De beide dominante sociaal-maatschappelijke geestesstromingen zijn gebaat bij de harteloze dan wel angstige mens die je kunt manipuleren voor economische en nationalistische machtsdoeleinden.

Hetzelfde lot als de kunst en cultuur treft ook de humaniora, de zogenaamde menswetenschappen, die een steeds kleinere rol krijgen toebedeeld in onze kennismaatschappij.

Toch is er niets nieuws onder de zon. Al in 1935 schreef Johan Huizinga in zijn onvolprezen In de schaduwen van morgen dat ethiek, het domein van de geesteswetenschappen, hopeloos bij de techniek was achtergebleven en in razend tempo veel van zijn glans verloor in het licht van de nieuwe, krachtige ideologieën. Wat ons nekt, is de ondraaglijke platheid van het bestaan, gepredikt door de ideologen van eigen bodem. Hij voorspelde daarom ook weinig goeds voor de toekomst van Europa.

Maar wie leest Huizinga nog dezer dagen?