Spijt van elke boom die hij heeft vermoord

(51) is geen bomenknuffelaar en al helemaal geen zweverig type. Hij schreef wel een boek over de vriendschappen van bomen, hun taal en gedrag.

‘D

it is een heel verdrietig bos”, zegt Peter Wohlleben, boswachter uit Duitsland. Hij schudt zijn hoofd meewarig. Misschien hadden we beter niet kunnen lunchen in een restaurant aan het Amsterdamse Bos. Dit bos, aangelegd door werklozen rond 1930, is geen bos, maar een ziekenboeg. Verweesde populieren, kwijnende berken, eenzame eiken in doodsstrijd. En dan ook nog, tegenover het restaurant waar we lunchen: klimpark Fun Forest. Aan de beukenstammen zijn touwen, ladders en bruggen geschroefd, waarlangs kinderen kunnen klimmen. Zie de straaltjes vocht sijpelen uit de gaten die in de boombasten zijn geslagen. Levenssap. Bomenbloed. Dit is geen speelbos, dit is een martelplaats.

Bomen kunnen pijn lijden. Ze kunnen tellen, leren, elkaar helpen en waarschuwen. Ze hebben familierelaties, voeden hun kinderen op en kunnen onderling communiceren. Peter Wohlleben, die dit allemaal beweert, is geen bomenknuffelaar en al helemaal geen zweverig type. Hij is al dertig jaar bosbeheerder en heeft er zelf ook twintig jaar over gegaan om te concluderen dat bomen sociale wezens zijn. In zijn boek Het verborgen leven van bomen vertelt hij over bomen en hun vriendschappen, hun taal en gedrag. Hij doet dat zo knap en overtuigend dat het boek in Duitsland al maandenlang een grote hit is en in vele talen is vertaald, nu ook in het Nederlands. Lees het en je zult nooit meer hetzelfde naar een boom kijken.

„Vegetariër?”, vraag ik als hij even aarzelt bij het bestellen. Nee hoor, lacht hij. „Thuis slacht ik zelf. Geiten, konijnen, kippen.” Is best een akelig karweitje, zegt hij. Vandaar dat hij niet vaak en niet véél vlees eet. Bomen, zegt hij, zijn eigenlijk de grootste beesten op aarde. Hij klopt op de houten tafel waaraan we zitten, wijst op de stoelen, de vloer, de vensterbank. „Bomenbotten.” Peter Wohlleben dicht bomen dierlijke eigenschappen toe en hij beschrijft hun gedrag in antropomorfologische termen. Hij zegt bijvoorbeeld: een moederboom geeft haar kinderen borstvoeding. „Als ik het zo vertel, begrijpen mensen de boom beter. Ze zijn niet zo anders dan wij.” Via hun wortels deelt de moeder een suikeroplossing met haar nakomelingen en houdt ze zo in leven. Via datzelfde wortelstelsel verlenen bomen zorg aan familieleden in de buurt die dorst hebben of ziek zijn. Boodschappen – „nieuwtjes” zegt Wohlleben – worden onderling gedeeld via de ragfijne draadjes die zwammen en schimmels ondergronds tussen de boomwortels spinnen; het wood wide web noemen wetenschappers dat. De boswachter vouwt zijn hand tot een kommetje. „In een handje bosgrond leven evenveel levende wezens als er mensen zijn op aarde.”

Bomen communiceren via de bloesems aan hun takken, door elektrische impulsen, ze hebben een geheime geurtaal. Al in de jaren zeventig zagen wetenschappers acaciabomen op de Afrikaanse savanne iets heel bijzonders doen. De acaciaboom is een lekker hapje voor giraffen. Maar de boom wordt niet graag opgegeten, dus die stuurt een vies smakend gifstofje naar z’n bladeren. De giraffe stopt met eten. Om pas honderden meters verderop weer een hapje acacia te nemen. De aangevreten acacia produceert namelijk, naast de gifstof, ook een waarschuwingsgas dat zegt: hongerige giraffekudde op komst. Meteen smaken alle buurbomen ook vies. Iets vergelijkbaars doen ‘onze’ eiken, beuken en sparren in Europa. Ze trekken samen op tegen vraatzuchtige insecten. Ze roepen de hulp in van derden; iepen en dennen lokken wespen om lastige rupsen uit te komen roeien.

Spijt van de moord op bomen

Het Amsterdamse Bos is geen bos, het is een verzameling individuen. Kluizenaars, zegt Peter Wohlleben. Het zijn bomen die gecultiveerd zijn, gekortwiekt en verplaatst. Bomen zonder familie, zonder relaties en zonder opvoeding. Een wees die geen idee heeft hoe te groeien. Dus moet de mens helpen. Daar is de boswachter. Hij bepaalt welke boom moet wijken en welke de ruimte krijgt. Hij kapt, velt, rooit. „Als een dierenbeschermer die zijn dieren slacht.”

Wohlleben was ook zo’n boswachter. En hij heeft spijt van elke boom die hij heeft vermoord. Kwestie van een ring rond de bast uitsnijden. Het water uit de wortels bereikt de blaadjes niet meer en de boom sterft een langzame hongerdood. „Ik deed wat me geleerd was. Is het bos te donker, dan kap je een paar joekels waardoor de kleinere meer licht krijgen. Dat is net zoiets als de vader van een gezin ombrengen, opdat zijn vrouw en kinderen dan meer ruimte in huis hebben.”

Inmiddels weet hij: beuken kúnnen helemaal niet te dicht op elkaar staan. „Ze vinden groepsknuffels prima.” Maar hoe zit het dan met het zonlicht? Een boom heeft licht nodig om via fotosynthese voedsel aan te maken. „In een natuurlijk bos geven soortgenoten elkaar de ruimte. Hun kronen groeien beleefd van elkaar af. Moederbomen houden hun nakomelingen in hun schaduw, voor hun eigen bestwil. Als kleine boompjes groot én sterk willen worden, moeten ze heel langzaam groeien. Centimeters en geen meters per jaar. Is het bladerdak van de ouders verdwenen, dan groeien jonge boompje als gekken, ze verbruiken al hun energie en sterven tussen hun zeventigste en honderdste. Voor een boom is dat nauwelijks kleuterleeftijd.” Dat is precies wat je ziet in stadsbossen en parken. Uitgeputte, ongezonde hardgroeiers die krampachtig proberen te overleven. Gespleten stammen, dikke bierbuiken en in het wilde weg vertakkingen.

Plofbomen

Plofkippen kenden we al, hormoonbiggen, kistkalveren. Nu ook nog de plofbomen. Wohlleben nam na 23 jaar ontslag bij het Duitse staatsbosbeheer. „Ik beheerde niet, ik buitte uit.” Boswachter is hij nog steeds, van dezelfde 1200 hectare als voorheen, maar nu doet hij het op zijn manier. Hij beheert het zo min mogelijk en de gemeente waarin zijn bosgebied ligt, laat hem begaan. Elk bosgebied in Duitsland moet omzet maken, en normaal is het de houtoogst die winst oplevert. Wohlleben verdient ook geld, maar zonder één boom geweld aan te doen. Zijn bos is rendabel door de rondleidingen die hij er geeft en door de vierkante meters ‘wild bos’ die particulieren kunnen adopteren (zie wildbuche.de). Wie wil, kan zich na crematie laten begraven in zijn bos; as in een beukenhouten urn in de grond, de boom als levende grafsteen. In zijn bos rijden geen zware tractoren of machines. „Die persen de bodem samen. Het duurt tot een volgende ijstijd voor de bosgrond zich daarvan herstelt.” Het zware werk wordt gedaan door paarden. Hij hakt heus weleens een boom om, daar is hij ook helemaal niet tegen. „Maar het is net als met een geit slachten die een goed leven heeft gehad. Je doet het met respect, neemt niet meer dan je nodig hebt en verstoort de natuur zo min mogelijk.”

De beuk is de oerboom die thuishoort in midden-Europa en daarom de favoriet van Wohlleben. Naast ‘zijn’ steeds wilder wordende beukenbos ligt een sparrenbos. Ook mooie bomen, daar niet van, maar ze horen in Duitsland niet thuis. Als hij ze wil zien, gaat hij wel naar Lapland. Daar heeft hij exemplaren gezien van tienduizend jaar oud. Kapt hij de buursparren? Natuurlijk niet. Hij laat Vlaamse gaaien zaadjes van beukenbomen verspreiden. Dan gaat de rest vanzelf. „Er wordt van beuken gezegd dat het racisten zijn. Ze mógen andere boomrassen gewoon niet.” Maar dat is onzin, weet hij. „De beuk en de spar zijn genetisch net zo verschillend als mensen en vissen.”

We hebben vanuit het restaurant uitzicht op de bomenrij langs de bosbaan. Welke soort het is, ik heb geen idee. Populieren, helpt hij. Hij knikt, berustend. Hij weet dat stadsmensen de bomen niet meer kennen. „Voor hen moet een boswandeling voelen als een bezoek aan de dierentuin en dan niet het verschil weten tussen een leeuw en een kameel.” Schade, mompelt hij, in het Duits. Jammer. „We maken ons druk om dieren. We beschermen de panda, bekommeren ons om de orka. Bomen zijn onze grootste levende wezens. Maar we nemen ze voor lief.” Nou, zeg ik, we zijn anders heel bezorgd over het tropisch regenwoud. „Ja, maar waarom? Tachtig procent van het regenwoud is nog ongerept. Van onze Europese oerbossen is nauwelijks iets over.”

Vanaf het moment dat hij zijn bomen anders ging behandelen, is hij ook over ze gaan schrijven. Dat was in 2007. Nog geen jaar later had hij een burn-out. „Iedereen wilde mijn advies. Ik wilde alle bomen helpen. Maar ik kon het niet.” Het heeft hem vier jaar gekost om te herstellen en nog steeds doet hij het rustig aan. Zijn enorme succes in Duitsland wordt vaak toegeschreven aan de Duitse inborst. Verknocht aan de ongerepte natuur, de donkere wouden, de bomen die alles zagen. In welk sprookje van Grimm komt er nou geen bos, boswachter of houthakker voor? Wohlleben heeft zelf een andere verklaring. „Lang was er weinig vrolijks over de natuur te melden. Ik vertel je dat we iets geweldigs in onze eigen achtertuin hebben. Wezens groter dan walvissen en minstens zo sociaal. We weten niet hoe ze groeien of hoe oud ze kunnen worden, we weten nog bijna niks. Laten we ze leren kennen.”