Referenda? Er zijn meer mogelijkheden

De roep om directe democratie klinkt al decennia. Maar nu is het meer een negatieve keus en uiting van onvrede dan een brede democratiseringsgolf. Of referenda echt helpen? Er zijn meer mogelijkheden, van buurtbudgetten tot burgerjury’s en volksinitiatieven.

‘Directe democratie is awesome’, twitterde GeenPeil vlak voor het Oekraïnereferendum. Volgens Jan Roos cum suis schiet representatieve democratie tekort – met de kreet ‘Red de democratie’ riepen zij op te gaan stemmen. Het is ook wat Geert Wilders zegt: directe democratie is noodzakelijk, want de politiek vertegenwoordigt het volk niet meer.

Al sinds de invoering van het algemeen kiesrecht, bijna een eeuw geleden, wordt de democratie dood of terminaal ziek verklaard. In de praktijk valt dat wel mee, vertelt Rudy Andeweg, hoogleraar politicologie aan de Universiteit Leiden. Sinds de jaren zeventig, toen het onderzoek ernaar begon, is het vertrouwen van Nederlanders in de politiek internationaal gezien hoog. „Die kloof tussen burger en politiek is er natuurlijk wel”, zegt Andeweg. „Maar de toename van de kloof is een soort monster van Loch Ness. Wij politicologen zijn zo braaf om elke keer weer een expeditie te beginnen, maar we kunnen het beest niet vinden.”

Dat neemt niet weg dat er onvrede bestaat over de politieke representatie. Uit cijfers van het Sociaal en Cultureel Planbureau blijkt dat met name lageropgeleiden vinden dat de politiek geen oog heeft voor hun zorgen.

Logisch dus dat er veel animo is voor directe democratie, zoals het SCP vorige week meldde. Dit is overigens al decennia zo. Verschil met vroeger is dat het nu vooral een negatieve keus is, zegt SCP-onderzoeker Paul Dekker. „In de jaren zeventig was de roep om meer directe democratie onderdeel van een brede democratiseringsgolf, nu is het meer een uiting van onvrede over de bestaande politiek.”

Volgens Dekker en Andeweg is er geen bewijs voor dat referenda die onvrede wegnemen. „Er zijn te weinig landen met een echte referendumtraditie om daar goed onderzoek naar te kunnen doen”, zegt ook politicoloog Martin Rosema van de Universiteit Twente. „Uit individuele gevallen blijkt vooral dat het ervan afhangt wat de politiek met de uitkomsten doet. Wanneer daar niets mee gebeurt, wordt het wantrouwen alleen maar groter.”

Hij noemt Zwolle. De bevolking stemde tegen de komst van een gokhal in een voetbalstadion, de raad legde zich erbij neer. Twee maanden later kwam een kleinere variant er alsnog.

Dat referenda niet per se de oplossing zijn voor politieke onvrede neemt niet weg dat het middel op zich goed is, vindt Andeweg. Het biedt onze steeds hoger opgeleide bevolking de kans zich ook buiten de verkiezingen uit te spreken. Maar om het goed te laten werken moet er wel iets veranderen aan de referendumwet.

Daarover zijn alle experts het eens: de huidige wet is een misbaksel. De opkomstdrempel moet eruit, want die zorgt ervoor dat voorstanders strategisch thuisblijven. Oud-Kamerleden Boris van der Ham (D66) en Niesco Dubbelboer (PvdA), twee van de indieners van de huidige wet, hopen daarnaast nog steeds op een bindend referendum. Als de regering weet dat een wet weggestemd kan worden, zal ze eerder in gesprek gaan met de bevolking – en dan is een referendum misschien niet eens nodig, denkt Dubbelboer.

Van der Ham heeft nog een ander idee: laat alleen tegenstanders van de wet stemmen. Wie voor de wet is, hoeft dus niet naar de stembus te komen; zwijgen is toestemmen. „Als een meerderheid van de Tweede Kamer ergens mee heeft ingestemd, kan de meerderheid van de kiezers dat overrulen. Dat is een eerlijke, duidelijke en logische vorm.”

Correctief referendum is negatief middel

Maar wat je er ook aan verandert, een correctief referendum blijft een negatief middel. Het biedt de kans om nee te zeggen, niet om een constructief tegenvoorstel te doen. Dubbelboer en Van der Ham zijn daarom ook voorstander van een ander soort referendum: het volksinitiatief. Burgers kunnen dan zelf een wetsvoorstel maken waarover vervolgens wordt gestemd. Zwitserland heeft op deze manier bijvoorbeeld een milieubelasting op vrachtwagens én een verbod op de bouw van minaretten gekregen.

Het zal nog wel even duren voor in Nederland de geesten rijp zijn voor het volksinitiatief. Wij zijn op het gebied van directe democratie bepaald geen gidsland. In Ierland en Denemarken is het bijvoorbeeld heel normaal om EU-wetgeving die voor machtsoverdracht naar Brussel zorgt voor te leggen in een referendum, vertelt Martin Rosema. En dat leidt niet per se tot nee stemmen: „Bij driekwart van de EU-referenda is de uitslag positief.”

Sinds 2006 kent Nederland wel het burgerinitiatief: burgers kunnen een onderwerp agenderen in de Tweede Kamer. Hiervoor zijn minimaal 40.000 handtekeningen nodig. En er zijn nog andere, meer participatieve vormen van democratische vernieuwing: burgerjury’s, buurtbudgetten en burgertoppen à la de G1000. Hierbij wordt van burgers verwacht dat ze meedenken over het beleid, en in sommige gevallen zelfs dat ze het uitvoeren. Deze vormen van directe democratie hebben weer hun eigen problemen. Burgers zitten niet altijd te wachten op intensieve, tijdrovende vormen van politieke zeggenschap. Vaak hebben ze niet alleen weinig vertrouwen in de politiek, maar ook weinig vertrouwen in elkáár, vertelt Paul Dekker.

En nog iets: juist lageropgeleiden maken minder gebruik van deze mogelijkheden. „Bij veeleisende vormen van directe democratie is de sociale ongelijkheid in het gebruik ervan veel groter”, zegt Andeweg. „Het gaat meestal om een beperkte groep mensen, hogeropgeleiden, die ook al andere kanalen hebben.” Op lokaal niveau werkt dit soort vormen beter, aldus Andeweg: als het gaat om het groen in de buurt maakt opleidingsniveau minder uit.

Bij al deze vormen van directe democratie moeten we bedenken dat ze relatief nieuw zijn. Een definitief oordeel kan dus nog niet geveld worden. „Een ongoing business”, noemt Van der Ham de democratie. Perfect zal het stelsel nooit worden. En het zal al helemaal niet de ‘wil van het volk’ uitdrukken, zoals Geert Wilders eist. Zo lang het volk pluriform is, blijft er onvrede. Andeweg citeert de antirevolutionaire politicus Abraham Kuyper: „Het wantrouwen zit in de democratie ingevleesd.”