Rechters met een privé- vermogen zijn een risico

‘Oud-lid Hoge Raad houdt vermogen buiten zicht fiscus’, kopte het FD deze week. Het was wat je noemt een gvd-momentje in rechtsstaat Nederland. Temeer daar de betreffende raadsheer destijds lid van de belastingkamer was. En leden van de Hoge Raad aan de hoogste eisen van integriteit moeten voldoen. Althans, dat draagt de hoogste rechter zelf altijd uit.

De krant ontleende de informatie aan de Panama Papers, de gelekte wereldboekhouding van belastingontwijkers. Het is dan ook al de hele week feest in de kranten. Bien etonné, dit gezelschap van grote en kleine scharrelaars die offshore vestigingsplaatsen en brievenbusfirma’s benutten en het zichzelf niet lastig maken met morele vragen. De Panama Papers draaien uit op een publieke schandpaal voor profiteurs, asocialen en hypocrieten die gedijen op geld en macht. De maat lijkt nu vol. Hun tegenargument verliest zienderogen gewicht: zolang het niet is verboden is het toegestaan en dus doen we niks fout. „Ondernemers zoeken nu eenmaal vrijheid”, praatte een fiscale adviseur in het NOS-journaal zichzelf goed. Zelden zoiets slaps gehoord. Vrijheid? Je eigen portemonnee zal je bedoelen. Hoepel toch op.

Intussen is er geen krachtiger sentiment dan rechtsongelijkheid. Zij wel, wij niet en waarom eigenlijk? Dat daar een (wijlen) raadsheer van de Hoge Raad (1979-1986) tussen moet zitten, beschadigt het vertrouwen in de rechtsstaat. Uitgerekend raadsheren behoren te weten dat niet alles wat mag ook moet kunnen. Rechters gaan juist over het inscherpen van normen, niet over het laten vieren. Ex post ben ik alsnog benieuwd naar de arresten die hij mee tekende. Was de man streng over constructies en trustkantoren, of juist meevoelend? De argwaan is gewekt, ook dertig jaar later. En daar baal ik van. Het zou toch fijn zijn als er ook mensen zijn bij wie het hemd niet nader is dan de rok. Dit soort vragen zou je niet eens moeten kúnnen stellen. Moeten rechters hun eventuele aandelenportefeuille of vermogenspositie aan hun president bekend maken? Nee dus; ik heb het nog nagevraagd. Men vindt het privé informatie. Maar ik zou er als de sodemieter mee beginnen – vertrouwen komt te voet en gaat te paard. Dat kan hard gaan, in een mediasamenleving waar feiten en meningen haasje over doen. Stom toevallig stelde de ‘Venice Commission’, het rechtstatelijk geweten van de Raad van Europa, half maart een checklist samen voor rechtsstaten. Wat moet een land doen of laten om rechtspraak, advocatuur en wetgeving vrij te kunnen laten functioneren – wanneer is een rechtsstaat geloofwaardig? Daar staat dus een transparantieplicht voor rechters over hun vermogenspositie tussen. Dat voorkomt namelijk corruptie en kan ‘ongebruikelijk inkomen’ verklaren. Let wel: rechters mogen van zichzelf best rijk zijn, alleen niet in het duister. Ik hoef ook geen openbaar register, maar wel een ‘governance model’ dat problemen uitsluit.

Gelukkig was er ook een aha-momentje voor de rechtsstaat. Piet Hein Donner, vice-president van de Raad van State, bond in het jaarverslag 2015 de kat de bel aan. Dankzij een gefragmenteerde politiek wordt er vooral bestuurd per moeizaam deelakkoord, merkte hij op. Dat leidt tot politiek schokbestendige wetsvoorstellen die geen ruimte meer laten voor beoordeling op juridische consistentie of doelmatigheid. Die wetten zijn dus uiterst kwetsbaar zodra de rechter deze toetst aan algemene beginselen. De rechtsstaat wordt dan restpost. Hij gaf er voorbeelden bij van half-willekeurige wetgeving waar de Raad van State het politieke opportunisme tevergeefs van laakte. Donner voorziet ‘krachtmetingen’ tussen rechter en bestuur, die de democratie onder spanning gaan zetten.

Tweede observatie was dat regels en wetten nu zo snel veranderen dat ze hun functie van houvast dreigen te verliezen. En dus hun gezag. De burger zal afwachten of nieuwe belastende regels niet snel opnieuw veranderen. Wetgeving als seizoensproduct dus, terwijl het bedoeld is als ‘betrouwbare bestendigheid’. Mooi Donner-begrip: om je aan vast te houden.