Radicaliseren is als een ziekte

Leraar Sofyan Mbarki kent Amsterdam-West door en door. Hij loopt er rond en luistert, vraagt en luistert.

Een leraar is van zichzelf sleutelfiguur – niet aangesteld door de gemeente. Overal waar Sofyan Mbarki loopt in het Amsterdamse Nieuw-West gaan zwaaiende handen omhoog, wordt hij aangesproken, maakt hij een praatje. Daar staat een opgeschoren oud-leerling voor de kapperszaak op het August Allebéplein. „Alles goed?” „Ja, rustig.” „Werk je nu hier?” „Natuurlijk.”

Een andere oud-leerling ziet Mbarki, laat zijn hoofd dieper tussen zijn schouders zakken, maakt een afwerend gebaar achter zijn rug en beent door. Na het vrijdaggebed in de Blauwe Moskee praat Mbarki met de imam. Op een bouwkavel in de troosteloosheid van de Nolensstraat schudt hij de hand van een moskeebestuurder.

Als dit de haarvaten van de samenleving zijn, dan kent docent Sofyan Mbarki (31 jaar, geboren in Amsterdam-Zuid), tevens gemeenteraadslid (PvdA) ze door en door. Hij wijst op een flat aan de noordkant van de Sloterplas. „Hier laten Oost-Europeanen vrouwen illegaal als prostituee werken.” Hij wijst naar een hoekwoning in de Marianne Philipsstraat. „Daar zat twaalf jaar geleden Mohammed Bouyeri met zijn vrienden te radicaliseren. Wij stonden achter de linten te kijken toen de politie er binnenviel.”

Mbarki ziet het verschil tussen de buurt rond het August Allebéplein en die rond het Lambertus Zijlplein, verder naar het westen. De huizen daar zijn er slechter aan toe en de mensen kijken grimmiger.

Een caféhoudster die klaagt over een buurt zonder ‘Nederlanders’. Een leerplichtambtenaar die zich zorgen maakt over het gebrek aan stageplaatsen. Mbarki luistert en vraagt en luistert.

Opvallend is dat iedereen die we op onze rondgang door de buurt spreken ronselpraktijken heeft gezien of ondervonden. In de moskee zegt imam Yassin Elforkani dat hij weet heeft van netwerken in de buurt. Bij Dockzz jongerenwerk vertelt Aziz Benasskar dat hij een paar jaar geleden de ronselaars van Sharia4Belgium over straat zag lopen. „Een van hen scheen al een jaar in de buurt te wonen.” Hij zegt uit zichzelf wat het grote verschil is tussen Molenbeek en Amsterdam Nieuw-West. „In Molenbeek werd ik al agressief bejegend als vreemde in de buurt.”

In sportschool Boks het voor elkaar zegt Nourdin el Otmani dat hij ze ook kent, de jongens uit de huiskamergroepjes. „Wij noemden hen takfiri – moslims, die andere moslims van afvalligheid beschuldigen. Ze begroeten ons niet met de vredesgroet.” In de voormalige KAV-verhuurgarage waar hij zijn sportschool heeft gevestigd, komen honderden jongens en meisjes sporten. „Radicalisering is als een ziekte”, zegt El Otmani, zevenvoudig wereldkampioen kickboksen. „Jongens die weer op hun radicale ideeën zijn teruggekomen, zeggen me dat ze achteraf niet weten wat hen bezielde.”

Sofyan Mbarki werd zelf ook aangesproken. Toen hij een jaar of 16 was, werd hij bij de moskee staande gehouden door een man in een qamis die vroeg of de jongen interesse had in de jihad. De man sloeg zijn gewaad open, in de ene binnenzak zat een pakje paspoorten, in de andere een stapel bankbiljetten. Mbarki wist meteen dat het fout zat en zei: „Ik ben nog aan het nadenken over mijn innerlijke jihad.” „Salaam”, zei de man en hij liep weg. Hij had niets aan die houding van Sofyan, wist hij, en verspilde verder geen tijd aan hem.