Panama mag, dus wat houdt ze tegen

Hoe kun je met jezelf leven, vroeg Joris Luyendijk de bankiers die het ontwijken van belasting faciliteren. Hij sprak diepgelovige mensen die hun moraal op kantoor zonder morren uitschakelen.

Wie in de Panama Papers leest hoe de rijken en machtigen hun belastingen ontwijken, komt in de verleiding om de bankiers, juristen, accountants en consultants die hen hierbij helpen te zien als slechteriken. Dit is een extreem populair beeld: homo financialus als monster en psychopaat. Denk aan de klassieker Wall Street (‘greed is good’), de seriemoordende bankier in American Psycho en de hit The Wolf of Wall Street.

De werkelijkheid is anders – en nog verontrustender. Uiteraard heb je er rotte appels, sommige niches lijken ze zelfs aan te trekken. Maar de overweldigende meerderheid in de sector zijn mensen zoals u en ik. Geen monsters, maar ze werken wel in organisaties die je ‘monsterlijk’ kan noemen.

De afgelopen jaren interviewde ik honderden van zulke ‘financiële professionals’. In Tokyo, Amsterdam, Frankfurt, the City of London. Zeker in Londen geldt een zwaarbewaakte ‘code of silence’, een zwijgplicht. Zij die betrapt worden op contact met journalisten verliezen niet alleen hun baan, maar hen wachten ook rechtszaken. Gelukkig geldt ook hier dat intimidatie nooit 100 procent werkt. Als je mensen anonimiteit belooft, willen sommigen wel een interview geven.

De financiële wereld is gigantisch groot en de afdelingen die zich bezighouden met belastingontwijking voor grote bedrijven en rijke personen (‘high net worth individuals’) vormen maar een klein deel van het grote geheel. Maar de wijze waarop bankwerknemers die klanten helpen de belasting te ontwijken, zichzelf rechtvaardigen, lijkt opvallend veel op die van hun collega’s in andere activiteiten.

De toon laat zich misschien het best omschrijven als ‘matter-of-fact’. Bijvoorbeeld als zij uitlegden hoe ze een met opzet ondoorzichtig financieel product verkochten aan „een of andere gast” bij een Zweedse bank, Italiaanse gemeente of Nederlandse woningbouwcorporatie – wetend dat die ‘gast’ geen idee had wat-ie kocht. Of als anderen uitlegden hoe ze een zwaar misleidende mediahype creëerden rond een nieuw techbedrijf dat hun bank naar de beurs aan het brengen was. Of hoe ze ongelofelijke hoeveelheden geld verdienden met een computeralgoritme dat ‘flitshandelde’ op de financiële markten – waarbij ze aandelen en andere producten vaak slechts een paar seconden of nog minder vasthielden en zo die markten aan enorme risico’s blootstelden. Zoals gezegd, bankiers zijn geen monsters, dus kun je ze gewoon vragen, van mens tot mens: hoe kun jij met jezelf leven als je zulke dingen doet?

Vaak was het eerste antwoord: „Daar denken wij gewoon niet over na.” Zoals een vrouw op de juridische afdeling van een grote bank het uitdrukte, terugkijkend op de jaren waarin ze ‘shell companies’ opzette op de Maagden- en Kaaimaneilanden: „Als je er middenin zit, en je werkt iedere dag tot heel laat, dan sta je gewoon nergens meer bij stil. Pas later realiseerde ik me, hey, die producten werden waarschijnlijk gebruikt voor belastingontwijking. Als je in de machine mee holt, ben je exclusief gericht op de volgende stapel documenten die alweer jouw kant opkomt.”

Wie een goede baan heeft bij een bank, advocatenkantoor of consultancy firma werkt extreem veel – zeker in Londen maar ook in Amsterdam. Velen kampen met slaapgebrek of leven als een soort Spartaan. In Londen wordt zeker van de ‘juniors’ verwacht dat ze regelmatig een ‘all-nighter’ doen. Daarbij werk je de hele nacht door, en spring je om zes uur in de taxi naar huis. Terwijl de taxi buiten wacht, was en verkleed je je, en dan is het terug naar kantoor voor een nieuwe dag – vaak genoeg tot tien uur ’s avonds zo niet middernacht. Dergelijke druk ondermijnt ieder ethisch besef, zeiden geïnterviewden. Je raakt exclusief gericht op ‘corporate survival’: je werk afkrijgen. Daarbij komt dat iedereen zich zo gedraagt, al was het maar omdat de interne concurrentie zo scherp is. In Londen kun je iedere vijf minuten worden ontslagen, zonder waarschuwing en de meest ‘competitieve’ firma’s nemen soms twee mensen aan voor een en dezelfde baan: kijken wie overleeft. Topbanken scheppen er grote trots in dat ze ieder jaar twee tot drie procent van hun ‘minst presterende’ mensen eruit gooien – hoe winstgevend het jaar ook was.

Mensen spraken over een ‘cultuur van angst’, en over ‘nul loyaliteit’. Wie ontslagen kan worden in vijf minuten, krijgt een horizon van vijf minuten. Velen vroegen: „Waarom zou ik mijn klanten of de samenleving beter behandelen dan de bank mij behandelt?” Dit is niet echt de soort omgeving waarin je moreel geladen vragen gaat stellen. En toch zijn angst en uitputting niet de kern van de zaak, benadrukten geïnterviewden. Jij wilt weten hoe ik als bankier of advocaat met mezelf kan leven, zeiden ze. Nou, alles wat ik doe is legaal, dus wat is precies het probleem?

Werkdruk ondermijnt ieder ethisch besef, zeiden de geïnterviewden

Dit is ook exact de redenatie van de Panamese bedrijven die nu vol in de schijnwerpers staan om hun betrokkenheid bij de facilitering van belastingontwijking. De afdeling voorlichting en pr van de banken en financiële dienstverleners in het Westen zeggen hetzelfde: we hebben geen wet overtreden, dus moeten we wel onschuldig zijn. Als we op deze argumentatie doorgingen, gebruikten mijn geïnterviewden twee samenhangende begrippen: amoraliteit en ‘shareholder value’ – aandeelhouderswaarde. Begrijp het alsjeblieft goed, zei iedereen. ‘Amoreel’ is echt iets anders dan immoreel. Dat laatste betekent dat je bewust de wet overtreedt. Het bord zegt 100 kilometer per uur en jij gaat 150. Dat is immoreel. Amoreel daarentegen betekent dat je je ethische en morele kader laat begrenzen door wat de wet toestaat.

Amoreel betekent dat je je niet afvraagt of een voorstel goed of slecht is. Je kijkt of het legaal is, en naar het reputatierisico. En als je grote bedrijven en rijke families hulp aanbiedt bij het ontwijken van hun belastingen, dan noem je dat ‘fiscale optimalisatie’ of ‘belastingvriendelijke arrangementen’. Het vocabulaire waarmee mensen in de financiële wereld over zichzelf en hun werk denken en praten is ontdaan van termen die een ethisch debat kunnen doen ontvlammen. Vandaar dat het grootste compliment in de financiële wereld ‘professioneel’ is. Het wil zeggen dat je geen gevoelens toelaat bij je werk, laat staan morele oordelen – die zijn voor thuis, waar ik sommige geïnterviewden heb leren kennen als diepgelovige mensen. Maar werk is werk, zeiden ze.

Als amoraliteit de heersende mentaliteit is, dan is ‘shareholder value’ de ideologie. Bijna iedere geïnterviewde begon erover. Net als de meeste multinationals, legden ze uit, zijn ook de banken in handen van aandeelhouders. Pensioenfondsen bijvoorbeeld, en verzekeraars. Deze eisen dat ze zoveel winst maken als maar kan, binnen de wet. Die winsten zijn het enige criterium. Dus hoe zie je dat voor je, zeiden bankiers. Hoe kunnen wij ons ethisch gedragen als onze eigenaren maar naar twee dingen kijken: is het legaal, is het winstgevend?

Een handelaar in Londen had maar een paar zinnen nodig om die dynamiek te schetsen: „Jij hebt als pensioenfonds aandelen in Morgan Stanley gekocht. Dan zie je dat Goldman Sachs 50 procent meer winst heeft gehaald. Nu lijk jij een slechte belegger. Dus ga je naar Morgan Stanley: „Je hebt nog achttien maanden om je winst te verhogen, anders verkoopt mijn pensioenfonds zijn aandelen in jouw bank.” Dan zien ze bij Morgan Stanley hoeveel geld de concurrentie verdient met de facilitering van legale belastingontwijking en denken: als we dat ook gaan doen, maken we meer winst. Het mag van de wet, dus wat houdt ons tegen?”

Banken worden weleens schamper casino’s genoemd, maar dat is totale onzin. Banken hebben gigantische afdelingen genaamd ‘compliance’, ‘legal’ en ‘internal audit’ die ervoor moeten zorgen dat niemand de wet overtreedt. Tegelijk is de vraag altijd, aldus geïnterviewden die werkten op zulke afdelingen, hoe kunnen we de grens opzoeken en binnen de regels het systeem flessen?

Voilà het universum waarin belastingontwijking op industriële schaal wordt bedreven en aangeboden. Insiders pleiten zich vrij van iedere morele verantwoordelijkheid – en althans in mijn interviews wuifde men het belangrijkste tegenargument weg: hoe kun je je verschuilen achter de wet wanneer jouw lobby die wet mede heeft opgesteld? Denk in Amerika en Groot-Brittannië aan de ‘campagnefinanciering’ – feitelijk een deftig woord voor corruptie. Denk ook aan de lucratieve ‘tweede carrières’ voor politici die binnen de lijntjes van de financiële sector blijven. En denk aan de uitstekend toegeruste lobby in Washington, London, Brussel en andere centra voor toezicht. En die lobbyisten zullen je ook vertellen: wat ik doe is legaal, dus ik moet wel onschuldig zijn.

Een deprimerend plaatje. In deze context wordt moraal een lifestyle-optie. Een van de meest interessante interviews was met iemand die financiële instrumenten bouwde ter ontwijking van belastingen. Zeker een decennium lang had deze zogeheten ‘structurer’ een miljoen per jaar verdiend. Recent was hij gestopt en ik vroeg waarom.

„Je verkoopt je ziel aan de duivel”, zei hij. „Ik verkocht mijn ziel voor wereldlijke rijkdom. Een tijdje voelde dat goed, toen niet meer. Vanwaar die omslag? Je moet iedere ochtend in de spiegel kijken. Ik stelde me voor hoe in de toekomst een zoon of dochter zou vragen: ‘Papa, wat doe jij voor werk?’ Wat kon ik dan zeggen?”