Opnieuw luidt de vraag voor de politiek: wat wil de kiezer?

Wat zijn de dieper liggende oorzaken? Het is de even voorspelbare als logische vraag die politici stellen na een verkiezingsnederlaag. Bij een verloren referendum is dit niet anders. Toen de Nederlandse kiezer op 1 juni 2005 massaal de Europese Grondwet afwees, had toenmalig premier Balkenende het de dag erna over een „grondige analyse” van de redenen waarom een meerderheid tegen had gestemd.

Nu afgelopen woensdag het associatieverdrag met Oekraïne is weggestemd, kiest het kabinet wederom voor de analyse van de uitslag. Het neemt hiervoor de tijd, heeft premier Rutte al gezegd. Veel onderzoek naar de motieven van de tegenstemmers kan het kabinet zich besparen door de archieven van 2005 in te duiken. Na het ‘nee’ tegen de Europese grondwet werd uitvoerig onderzocht wat de kiezer had bewogen. Factoren als angst, onzekerheid, pessimisme over bestaanszekerheid, waren toen de dominante krachten. Interessante opmerking bij het onderzoek van toen: dit was drie jaar daarvoor, in 2002, ook al eens geconstateerd. Met daaraan toegevoegd de ambtelijke aanbeveling voor de politieke leiding te werken aan het achterstallig onderhoud bij het verwerven van steun onder de bevolking voor de Europese samenwerking.

Het is een aanbeveling die nu, veertien jaar later, een nog even grote actualiteitswaarde heeft. Zie de uitslag van het referendum. De formele en juiste uitleg hiervan is dat 61,1 procent van de kiezers tegen het associatieverdrag met Oekraïne heeft gestemd. Maar de cijfers zeggen evenzeer dat bijna zeven op de tien stemgerechtigden niet de moeite heeft genomen te gaan stemmen. Voor een deel waren dit de veelbesproken ‘strategische thuisblijvers’ maar voor een grote meerderheid lijkt Europa te weinig belangrijk om te gaan stemmen.

Nieuw is deze stembusapathie niet. Bij de verkiezingen voor het Europees Parlement van twee jaar geleden kwam niet meer dan 37 procent van de stemgerechtigden op. Hiermee schaarde Nederland zich in het rijtje van slechtst scorende Europese lidstaten. De droevige opkomstcijfers van woensdag zouden een aansporing voor het kabinet moeten zijn zich niet alleen te concentreren op de nee-stemmers, maar vooral ook op de niet-stemmers.

Wat dit betreft was de non-campagne van de zijde van het kabinet bij het referendum tekenend. Voor zover er al een verhaal was, was dit een overwegend defensief verhaal: „Oekraïne wordt met dit verdrag geen lid van de Europese Unie”. De boodschap dat het zich verenigende Europa een breed gedragen waardegemeenschap is en het voor de hand liggende antwoord op de effecten van globalisering was daarentegen veel minder te horen. Zolang Europa gepresenteerd wordt als een noodzakelijk kwaad en niet als inspirerende opdracht zullen de anti-gevoelens hun voeding blijven krijgen.

De ‘gevestigde politiek’ – ook weer zo’n begrip trouwens – is deze week opnieuw geschrokken. Het resultaat van het referendum heeft laten zien dat de omstreeks de eeuwwisseling ingezette burgerrevolte waar Pim Fortuyn een exponent van was, nog altijd niet is uitgewoed. Integendeel. Het boze burger syndroom is tegenwoordig in vele westerse democratieën volop aanwezig. Met als meest pregnante voorbeeld in de VS de opmars van de Republikeinse presidentskandidaat Donald Trump.

Natuurlijk moet de onvrede serieus worden genomen. Maar het antwoord begint met standvastige politici die wíllen en kúnnen overtuigen.