Oorlogen tegen de kanker

‘Ik geloof dat het eind in zicht is van kanker als een groot probleem voor de volksgezondheid. En we hebben de kennis om het probleem geheel op te lossen. Mijn boodschap is simpel: geloof ze niet, de cynici, de pers, de twijfelaars. We zijn bezig deze oorlog te winnen.”

Let wel, de vorige alinea staat tussen aanhalingstekens en komt uit het boek van Vince DeVita: The death of cancer, dat eind vorig jaar verscheen. DeVita is niet de eerste de beste. Hij is één van de pioniers van de kankerchemotherapie; hij werd op zijn 39ste al directeur van het National Cancer Institute in Amerika; daarna werd hij baas van het ziekenhuisdeel van het Memorial Sloan Kettering Institute in New York (voor het viervoudige salaris; ook de VS kent een Balkenende-norm). Geen kleine jongen.

Nu zijn kankeronderzoekers meestal optimistisch. Er gaan veel patiënten dood aan kanker en wie die patiënten behandelt, zoals DeVita, ziet graag licht aan de horizon. Tot nu toe zijn die optimistische voorspellingen niet uitgekomen. In 1971 startte president Nixon de ‘War on cancer’ en in 1976 moest het wel zijn opgelost. Niet dus. In 2005 beloofde de toenmalige directeur van het National Cancer Institute, Von Eschenbach, dat het in 2015 wel gedaan zou zijn. Oliedom, want in 2005 wisten we genoeg om met zekerheid te kunnen voorspellen dat de kankeronderzoekers 2015 niet gingen halen. En nu dan de Amerikaanse vice-president Joe Biden met zijn ‘US Cancer Moonshot’, een 1 miljard dollar-plan ‘to eliminate cancer as we know it’. DeVita gelooft er in en met hem de Amerikaanse oncologen die ik ken.

Het boek van DeVita gaat echter niet zozeer over de toekomst, maar over het verleden, over de oorlogen die hij heeft moeten voeren om de chemotherapie ingevoerd te krijgen als een serieuze kankerbehandeling. Kankerbehandeling was van oudsher het domein van de chirurgen en radiotherapeuten en die keken met argwaan naar nieuwkomer chemotherapie. Het was tot daar aan toe dat de medisch oncologen bloedkankers gingen behandelen. Bloed zit verspreid door het hele lichaam en dan kom je niet ver met snijden of bestralen. Toen DeVita echter chemotherapie voor het Hodgkin lymfoom introduceerde, een meer gelokaliseerde vorm van lymfklierkanker die tot die tijd met bestraling was behandeld, kwamen de gevestigde specialisten in opstand .

Aanvankelijk kon ook niemand de resultaten van DeVita bij Hodgkin-patiënten reproduceren. Dat kwam doordat niemand precies dezelfde combinatie van middelen gaf die DeVita had uitgewerkt. Buiten het National Cancer Institute, waar het fundamentele onderzoek was gedaan, besefte men onvoldoende dat een uitgekiende dosis van de juiste combinatie van anti-kankermiddelen vereist is om alle kankercellen te doden, zonder de patiënt ernstig te beschadigen. Van die chemococktail van DeVita werden patiënten flink ziek en daarom ging men elders de dosis wat verlagen, of de cocktail aanpassen. Dan slonken de lymfomen ook, maar niet alle kankercellen werden gedood en de patiënt eindigde met een resistente tumor.

DeVita verhult weinig in zijn boek, ook niet de financiële motieven van zijn collegae. De radiotherapeuten wilden niet accepteren dat het Hodgkin-lymfoom beter met chemotherapie behandeld kon worden, want dat kostte omzet. De chirurgen wilden niet overgaan op de borstsparende operaties, want dat leverde minder op dan de klassieke Halsted mastectomie, waarbij de hele borst er af gaat en de okselklieren verwijderd worden, met langdurig arm-oedeem voor de patiënte als gevolg. Uiteraard werden alle vernieuwingen met pseudo-wetenschappelijke argumenten bestreden, maar DeVita bespreekt koeltjes de onderliggende financiële motieven. Heel ongebruikelijk onder Amerikaanse dokters.

Ook de huidige instituties spaart DeVita niet. Het gros van de Amerikaanse kankercentra in universiteiten is mislukt, vindt hij. Een echte integratie van de verschillende behandelmethoden – chirurgie, radiotherapie, chemo/immunotherapie – vindt niet plaats; ieder vak houdt vast aan eigen koninkrijk. Een goede samenwerking tussen kliniek en lab, die met de dag belangrijker wordt bij kanker, komt niet van de grond. Niet een exclusief Amerikaans probleem, lijkt mij. DeVita schrijft ook waar het wel goed is. Nu hij baas is van het Yale Cancer Centre, toch een grote naam in de wereld, stuurt hij een vriend met multipel myeloom (ziekte van Kahler) naar Harvard, want daar is de behandeling beter.

Naast alle gevechten met collega’s en met regering, Senaat en Congres om geld, schrijft DeVita ook meeslepend over zijn patiënten. DeVita is een echte patiëntendokter. Voor zijn patiënten haalt hij alles uit de kast om nog weer een remissie te bewerkstellingen in de hoop dat er in de gewonnen tijd weer een nieuw experimenteel middel beschikbaar komt. Het deed mij denken aan Bob Pinedo hier, die ook nooit wil opgeven.

Of het einde van kanker in zicht is, zoals DeVita schrijft, betwijfel ik, maar het optimisme van deze pionier is wel iets om je aan op te trekken.