Niet alleen de vuist geven, ook de hand

Dwight van van de Vijver is wijkagent in Utrecht. Hij kent zijn jongens en begrijpt dat ze soms snel radicaliseren.

Een opstootje trekt mensen aan. Omstanders die kijken, zich ermee bemoeien. Zeker op een zomerse dag in de Utrechtse wijk Kanaleneiland. Als de politie daar voorheen een aanhouding moest verrichten, dan was de oproep door de portofoon ‘oploop van vijftig man, assistentie graag’ en reed een colonne politieauto’s de straat in. Waarna het wantrouwen tegen de politie alleen maar toenam.

„Het werkte niet”, zegt wijkagent Dwight van van de Vijver. De werkwijze nu: eerst kijken wíé eromheen staan en dán pas inschatten of assistentie nodig is. „Meestal zijn het gewoon wat vaders die eromheen staan en kun je tegen collega’s zeggen: blijf maar op de achtergrond.”

Sinds Van van de Vijver zes jaar geleden wijkagent werd, heeft hij de aanpak van de politie in Utrecht zien veranderen. „Niet alleen de vuist geven, óók de hand.” En dat was nodig ook. Na de aanslagen in New York, na Van Gogh, stond de politie in Utrecht soms letterlijk recht tegenover de jongeren. Het contact met de moslimgemeenschap was verdwenen, informatie over veiligheid kwam niet meer bij de politie terecht. Agenten merkten: hoe harder ze optraden, hoe groter de verwijdering. Het alternatief: proberen in contact te blijven met jongeren.

De ‘Bondgenotenaanpak’, die de politie samen met gemeente in 2009 startte, helpt daarbij. Het is een netwerk van leraren tot buurtgenoten en imams die signalen met elkaar delen. Doel is het vangnet voor signalen „zo groot mogelijk” maken.

Dwight van van de Vijver begon contacten te leggen op scholen in de wijk. Hij ging daar met jongens praten, onder de twaalf zijn ze nog gevoelig voor gezag. En „veel luisteren vooral”.

„Je hebt de straatwaarheid en de echte waarheid”, zegt Van van de Vijver. „De straatwaarheid is ‘die agent heeft de pik op mij, die heeft me gepakt voor niks’. Als één dat zegt dan gelooft de groep het.” Van van de Vijver probeert hen dan te vertellen hoe het echt is gegaan. Doet hij dat niet, dan groeit bij de jongens het gevoel van wantrouwen naar de overheid. „Het gevoel van afwijzing.”

Het kan een voedingsbodem zijn voor radicalisering, zegt hij. Dwight van van de Vijver kan wel begrijpen hoe dat proces „soms al in drie maanden tijd” verloopt. Hij is zelf opgegroeid in Utrecht, kent ook jeugdzonden. „Dan weet je hoe politie reageert. ‘Waarom moeten ze mij hebben’, denken jongens al snel. Ze zien een politieauto twee keer langsrijden omdat ze met zijn vieren stilstaan in een auto. Ze voelen wantrouwen. En als ze op het ROC ook nog eens minder baankansen krijgen, een reëel probleem, dan keren ze zich af.”

In totaal 28 ‘geradicaliseerden’ houdt de gemeente Utrecht in de gaten. Als jongens radicaliseren, hoort Van van de Vijver dat meestal niet uit eerste hand. Signalen vangt hij wel op. Dan ziet hij zo’n jongen opeens niet meer op straat. Hoort hij van een imam dat er ouders zijn die zich zorgen maken omdat hun zoon zich al weken heeft opgesloten in zijn kamer, YouTube-filmpjes kijkend. Hoort hij van een jongerenwerker dat er een groepje jongens in het buurthuis is waarvan er één voor de grap steeds ‘terrorist’ wordt genoemd. „Het is zoeken naar puzzelstukjes.”