Is het een Audi? Nee, een Skoda

Na tien jaar op een onbewoond eiland, verbaast Bas van Putten zich over automerken die steeds meer op elkaar lijken.

De nieuwe Skoda Superb Combi bij A-Poin in Amsterdam Zuidoost. Op de foto (met gieter) verkoopadviseur Sven Tervoort. Foto Peter de Krom

Een autokenner, hij zou elke quiz over zijn hobby winnen, spoelt na een schipbreuk op een onbewoond eiland aan. Tien jaar later wordt hij met een buik vol kokosmelk en bitterheid van het strand geplukt. Terug in Nederland int hij het auto-aanbod anno 2016. Hij kan er na tien jaar abstinentie geen touw meer aan vastknopen. Hij ziet Renaults voor Toyota’s aan en BMW’s voor Kia’s.

De grootste klap is een stationwagen die zijn pretentieuze omvang verhult met de zogenaamd nobele terughoudendheid van de accountantskaste, het kijk-mij-eens-geen-proletenbak-zijn met de gewilde discretie die het juist erger maakt. De hanige velgmaat en de uitgeklopte wielkasten verraden de verborgen agenda toch wel. Competitie.

Beet, vat de ex-vakman moed. Harde kaken, dakrails in alu-look, de voor een station overdreven schuin geplaatste achterruit van Audi’s Avant-modellen; een combi voor wintersporters, het betere leven. Kan niet missen, mompelt hij na een reeks fatale missers; de nieuwe Audi A6.

Is het verdomme een Skoda!

Hij, die voor zijn Crusoë-verlof aan een deurgreep merk en type kon herkennen, aanschouwt de nieuwe Superb Combi.

Kittig ruitstiksel

Zo ver zat hij er niet eens naast. De Superb, de Tsjechische Passat met de volksere insteek, is gekneed uit genetisch materiaal waarmee bij het VW-concern ook Volkswagens, Audi’s en Seats worden opgekweekt. De tweeliter dieselmotor met 190 pk, meer of minder kan ook, is kind aan huis in Golfs, Passats, Seats en andere Audi’s. Sterker nog: bij nader inzien bekruipt je het gevoel dat dit best een A6 had kunnen worden. Het ontwerp, van een ex-Audiman, zou een afgewezen Audi-schets kunnen zijn geweest, grootmoedig doorgesluisd naar de minder deftige Tsjechische huisgenoten. De schuin afgesneden achterlichten zijn een teken; die hebben nieuwe Audi’s ook.

Binnen had die arme eilander het helemaal bestorven. Gizmo, in een Skoda. Breedbeeldscherm, elektrisch verstelbare stoelen, sfeerverlichting met neonlijnen in dashboard en deuren, bekleding met een kittig ruitstiksel en een weldadig groot glazen panoramadak dat goddank open kan. Daarbij veert aan de voorzijde een soort muskietenopvangnetje op dat luidruchtig rijwind vangt en smerig wordt van de verpulverde insectenpopulatie. Oude schuifdaken hadden daar een stalen spoilerlipje zitten dat wél schoon bleef en een stuk minder rumoer maakte. Na lang zoeken had Crusoë overigens wel het Skoda-gen gevonden dat het voor zijn onvrijwillige verbanning ook al was: de cijfers die op de snelheidsmeter zo met de wijzerschaal meedraaien dat ze vanaf 160 vertrouwd onleesbaar op hun kant staan.

Er is nog een typisch Skodadingetje aan deze grote Skoda, die in werkelijkheid minder lelijk is dan de associaties die hij oproept. Dat is de ruimte, en met die kant van zijn wezen heb ik voeling. Ik wil nostalgische gevoelens niet verhelen; ik had zelf een Superb, sedan van de eerste generatie. Die kochten we vanwege het nageslacht. In onze Golf voelden wij kindervoetjes prikken in de rugleuning. Wij gingen op zoek naar een auto waarin het kroost ons zelfs gestrekt niet meer zou kunnen raken, en kwamen in 2005 bij dit merk uit. Dat die Superb niets meer was dan een verlengde Passat met Skoda-neus kon ons pragmatici niets schelen. Nu het een schaduw-Audi is geworden heeft zijn trompe-l’oeil bedrieglijke trekken aangenomen.

Op het oog lijkt het een supertanker. De bodem tussen de voorstoelen en de zitting van de achterbank is een vallei waar een volwassene zou kunnen liggen, als de dikke middentunnel niet zo in de weg zat. Met neergeklapte achterbank zouden in het laadruim, volume 1950 liter, drie stemgerechtigden in lengterichting moeten passen.

Maar ook op dit vlak speelt de Skoda Audi-achtig vals. Net als bij de Passat kan de achterbankzitting niet naar voren. De gedeelde rugleuningen, handig op afstand neerklapbaar met twee hendels in de kofferruimte, blijven er schuin bovenop liggen. Geen vlakke laadvloer dus, de doodsteek voor een station. Een bed naar binnen schuiven kan ik schudden.

Skoda compenseert dit kapitale gebrek met handigheidjes die in dit verband iets van boetedoening krijgen. Een extra dingennetje onder de afdekplaat voor het bagageruim, opbergvakjes in de zijwanden en in de dubbele bodem onder de vloerbedekking. Een kofferruimteverlichting die, uitneembaar, ook als zaklampje kan dienen. Hij is het kind dat extra lief doet na een slecht rapport. Hier is een doodzonde begaan. Dit is de stationcar die zichzelf heeft opgegeven. Ik ben boos op hem, de auto die alles goed doet, behalve wat hij echt moet kunnen; slikken wat de pot schaft. Doe de prachtige sedan maar. Die is éérlijk vet.