Column

Hoe Paarshaat de verharding en opsplitsing van het land verklaart

Op wie moet je letten om Den Haag te begrijpen? Deze week: Rutte II en de gevolgen van het Oekraïnereferendum.

Ofwel: Paarshaat en het sluimerende verlangen naar strijd en tweestromenland.

Tekst Tom-Jan Meeus / Illustratie Ruben L. Oppenheimer

Illustratie

Geen gelegenheid bevattelijker voor misverstanden dan verkiezingsdag. Wat dit betreft was het inzichtelijkste moment van de referendumavond de aankondiging van het nee-kamp dat dit nog maar het begin is.

De kloof met de elite, het nieuwe hebbedingetje van de gewone man, werd door eurosceptici en flankpolitici gevierd als probleem met enorme potentie.

Dus Thierry Baudet begon meteen over nieuwe referenda, bij voorbeeld inzake immigratie, en hier zag je wat je vaker met hemelbestormers hebt: onderschatting van de zittende macht.

Raadgevende referenda zijn zoals bekend alleen toegestaan inzake nieuwe wetgeving die de Kamers recentelijk is gepasseerd.

Dus nu oproepen tot een referendum over immigratie is eigenlijk tegen het kabinet zeggen: kunnen jullie even voor een nieuw immigratiewetje zorgen?

En het zou zomaar kunnen, beaamde een prominente coalitiepoliticus donderdag proestend, dat Thierry de komende kabinetten hiermee op een idee bracht: nu elk nieuw wetgevingsproject getorpedeerd kan worden met zo’n raadgevend referendum, zal de Haagse belangstelling voor riskante wetgeving – inzake immigratie, de EU, vluchtelingen etcetera – vanzelf verdwijnen.

Ergo: hier openbaarde een vooraanstaande politicus intuïtief de werkelijke betekenis van het Oekraïnereferendum: wat deze week gevierd werd als zege voor de directe democratie, zal uiteindelijk uitmonden in risicomijdend gedrag en andere behoudzucht door zittende machtspolitici.

Zo werkt Den Haag: de burger mag meer ruimte opeisen, de zittende macht zal zijn positie altijd proberen te consolideren – desnoods ten nadele van de burger.

Voordat we dat referendum preciezer konden analyseren, moesten we eerst wat ommetjes maken. De uitslag was nog niet binnen of de oppositie begon donderdagmorgen aan een volgende poging Ard van der Steur te ondermijnen.

Die slaagde en mislukte tegelijk. In veel debatmomenten oogde de minister zwak. Inhoudelijk bleef hij overeind, dus zochten oppositiepolitici het in atmosferische argumentatie: geeft de minister ruiterlijk genoeg toe dat het beter kon?

Het oogde dramatisch, maar er bleef weinig van over. Bijna alle middenpartijen gaven ten slotte geen steun aan Wilders’ rituele motie van wantrouwen, en eindigden het debat alleen met een pleidooi voor meer justitiegeld.

Een gemaskeerd zwaktebod, want daar ging het nooit over: dit ging over de Brusselse aanslagen.

Toch bleef het ongemak rond Van der Steur hangen, om twee redenen. Ook in zijn eigen partij is lang niet iedereen overtuigd dat hij zijn geschade imago nog tijdig kan herstellen.

En nu binnenskamers duidelijk begint te worden welke nieuwe feiten de commissie-Oosting heeft gevonden over Van der Steurs vroege interne betrokkenheid bij de afwikkeling van de Teevendeal in 2014, blijft de vrees bestaan dat hij het einde niet haalt: minister van Veiligheid en Uitstel van Executie.

Het vervolg van de regiezitting in de zaak-Wilders, ook donderdag, verliep ontluisterend. Zijn advocaat Geert-Jan Knoops bracht de media een paar weken terug op hol met de suggestie dat zijn gelekte concept-pleitnota, die ochtend in AD, via hacken was verkregen. (Logisch – uit de PVV lekt namelijk nooit iets.)

Op de veel minder drukbezochte vervolgzitting moest Knoops deze week, hoe gênant, toegeven dat van een hack nooit sprake was geweest: de hele hype was koude drukte.

Toch zag Wilders nog kans los te gaan op de rechtbank. De weigering van een rechter zich te verschonen – zij was eerder kritisch over wraking tijdens Wilders’ vorige vervolging – gaf hem ruimte. De „PVV-haters in deze neprechtbank hebben hun vonnis dus al klaar”, twitterde hij, zonder feitelijke basis. Zoals een PVV-kenner me zei: Geert is duidelijk ongerust over de afloop.

Maar goed – het grote verhaal bleef dat referendum. Na enkele dagen praten en reflecteren viel het me op dat veel analyses bleven hangen bij de bekende verklaringen inzake euroscepsis – de frustraties over het referendum in 2005, de Griekse steun, vluchtelingen, de kloof tussen hoog- en laagopgeleiden.

Maar is dit niet groter?

Die opleidingenkloof begint een smoes voor bijna alles te worden. Maar feit is dat de initiatiefnemer van het referendum, het Burgercomité EU, bestaat uit een hoogleraar en een onderzoeker van het Sociaal en Cultureel Planbureau. En van een andere nee-campaigner, Thierry Baudet, kun je ook niet zeggen dat hij gebrek aan opleiding heeft.

Dus gewone man tegen elite? In feite zagen we de ene elite tegen de andere, met de gewone man als alibi.

Onderzoek van Ipsos, vrijdag beschreven in deze krant, leerde bovendien dat het niet de laagopgeleiden waren die relatief het vaakst tegen het verdrag stemden: dit waren de middelbaar opgeleiden.

Grappig was ook dat dit keer niet boze mannen van boven de vijftig relatief het meest nee stemden – maar boze vrouwen van boven de vijftig.

Ik vermoed daarom dat die euroscepsis onderdeel van een groter ongenoegen is: Paarshaat.

De diepe weerzin tegen samenwerking van VVD en PvdA, waarbij partijen, in dit gepolariseerde klimaat, te veel van hun identiteit inleveren.

Ga maar na. In 1994-2002 leverde de samenwerking onder Wim Kok zeer geslaagd economisch beleid op – waarna Fortuyn de burger in opstand bracht. Vanaf 2012 leidt de samenwerking onder Rutte opnieuw tot sterk economisch beleid – en komen opnieuw de contouren van een opstand in beeld.

Vluchtelingen, islam, euroscepsis, Wilders: wie de aanwijzingen niet ziet, kijkt al jaren geen journaal meer.

Woensdag stemde een meerderheid van de VVD-kiezers zelfs tegen het Oekraïneverdrag. Dus we hadden deze week niet zozeer een rancunereferendum: we hadden een Paarshaatreferendum.

De primaire les is hier, denk ik, dat de kiezer klaar is met fuzzy logica van partijen die eerst campagne tegen elkaar voeren en daarna samen regeren.

Rechtse kiezers willen voortaan dat hun partij met rechts regeert, linkse kiezers met links. En vervolgens willen ze, via referenda en andere rechtstreekse inspraak, méér ruimte voor verzet tegen de macht.

Paradoxaal genoeg waren het de huidige coalitieleiders, Rutte en Samsom, die deze trend in 2012 onbedoeld versnelden: uitgerekend zij wonnen verkiezingen met een gepolariseerde campagne waarmee ze concurrenten op de flanken (PVV en SP) wind uit de zeilen namen en de klassieke middenpartijen, CDA en D66, tot beperkte proporties terugbrachten.

De kiezer gelóófde kortom in de keuze die Rutte en Samsom ze voorlegden –het gevoel van bedrog is daarna nooit verdwenen. Moedig beleid, sterke bewindslieden, een vaardige premier: het hielp niet meer.

De consequenties zijn niet gering. Kabinetten zullen het vertrouwen van hun eigen kiezers voortaan het gemakkelijkst behouden als ze een eendimensionale signatuur hebben, met als gevolg dat ze heftiger bestreden worden door de niet-coalitiepartijen en hun aanhang.

Gevolg is ook dat de politiek van nuances en compromissen plaatsmaakt voor een geharde variant van een regering die uitgaat van het eigen gelijk.

Ik zeg niet dat dit mooi en onvermijdelijk is. Het zou me zelfs niets verbazen als het bestel ook hiertegen in opstand komt, volgens de logica die de Haagse binnenwereld altijd heeft gevolgd: als burgers laten merken dat ze andere politici willen, besluiten politici dat ze de verkeerde burgers hebben.

Maar ik zie ook dat het referendum deze week aantoonde dat we cultureel allang een tweestromenland geworden zijn. Om niet te zeggen: een referendumland.

Daarom beleefden we woensdag niet alleen een harde uitslag.

Die uitslag onderstreepte ook de meest dominante trend die uiteindelijk ook greep op de politiek zal krijgen: we zijn een land geworden met een hang naar meer strijd, en meer verharding.